C-164/21 BALTIJAS STARPTAUTISKA AKADEMIJA

Contentverzamelaar

C-164/21 BALTIJAS STARPTAUTISKA AKADEMIJA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     28 juni 2021

Trefwoorden : staatssteun; wetenschap; onderwijs;

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

Feiten:

Verzoekster is een in Letland geregistreerde commerciële vennootschap die diensten van academisch en niet-academisch hoger onderwijs aanbiedt. Verzoekster is een geaccrediteerde instelling voor hoger onderwijs. Zij is erkend door de staat als instelling die wordt geëxploiteerd overeenkomstig het wetboek van koophandel, voor zover dit niet in strijd is met de wet op de hogeronderwijsinstellingen. De wetenschappelijke raad van Letland is een overheidsinstantie die rechtstreeks ressorteert onder de minister van Onderwijs en Wetenschappen en die als doel heeft om uitvoering te geven aan het nationaal beleid inzake wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. Bij besluit van 23-01-2020 heeft de wetenschappelijke raad van Letland zijn goedkeuring gehecht aan het „Reglement voor de algemene oproep tot het indienen van voorstellen voor projecten op het gebied van fundamenteel en toegepast onderzoek voor 2020”. Verzoekster heeft in het kader van de oproep een projectvoorstel ingediend, welke bij besluit werd afgewezen. Verzoekster kon niet worden beschouwd als een wetenschappelijke instelling in de zin van besluit nr. 725 van de ministerraad. De door verzoekster overgelegde documenten bevatten geen enkele informatie waaruit kon worden afgeleid dat het verrichten van onafhankelijk onderzoek de hoofdactiviteit van verzoekster was. De hoofdactiviteit van verzoekster zou het karakter van een commerciële activiteit hebben. Verzoekster heeft hierop beroep ingesteld.

Overweging:

De vraag rijst of het voor de toepassing van punt 2.7 van besluit nr. 725 van de ministerraad, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 83, van verordening nr. 651/2014, aanvaardbaar is dat het merendeel van de zelf gegenereerde financiering van een wetenschappelijke instelling – een entiteit die onderwijsdiensten aanbiedt – bestaat uit inkomsten uit economische activiteiten.

Prejudiciële vragen:

1) Kan een (privaatrechtelijke) organisatie die verschillende hoofdactiviteiten heeft, waaronder het verrichten van onderzoek, maar waarvan de inkomsten in meerderheid worden verkregen uit het tegen betaling verrichten van onderwijsdiensten, worden aangemerkt als een entiteit in de zin van artikel 2, punt 83, van verordening nr. 651/2014?

2) Is het gerechtvaardigd om de voorwaarde betreffende het aandeel van de financiering (inkomsten en uitgaven) van de economische respectievelijk de niet-economische activiteiten toe te passen om te bepalen of de entiteit voldoet aan het vereiste van artikel 2, punt 83, van verordening nr. 651/2014 dat de entiteit zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wat is dan de verhouding tussen de financiering van economische activiteiten en die van niet-economische activiteiten die moet worden toegepast om het hoofddoel van de activiteiten van de entiteit te kunnen bepalen?

3) Is het ingevolge artikel 2, punt 83, verordening nr. 651/2014 gerechtvaardigd om te vereisen dat de uit de hoofdactiviteit van de betrokken entiteit verkregen inkomsten opnieuw worden geïnvesteerd (geherinvesteerd) in die hoofdactiviteit, en moeten daarnaast ook andere aspecten worden beoordeeld om het hoofddoel van de activiteiten van de entiteit die het projectvoorstel indient te kunnen bepalen? Wordt die beoordeling beïnvloed door de wijze waarop de verkregen inkomsten worden gebruikt (herinvestering in de hoofdactiviteit, of, in het geval van een particuliere oprichter, uitkering als dividenden aan de aandeelhouders), ook indien het merendeel van de inkomsten wordt verkregen uit vergoedingen voor onderwijsdiensten?

4) Is de rechtspersoonlijkheid van de leden van de entiteit die het betrokken projectvoorstel indient een essentieel element om te beoordelen of die entiteit beantwoordt aan de definitie in artikel 2, punt 83, verordening nr. 651/2014, dat wil zeggen of de entiteit een vennootschap naar burgerlijk recht is die is opgericht om, met een winstoogmerk, (tegen betaling) een economische activiteit te verrichten [artikel 1 van de Komerclikums (Letse wetboek van koophandel)], dan wel dat haar leden of aandeelhouders natuurlijke of rechtspersonen met een winstoogmerk zijn (door bijvoorbeeld tegen betaling onderwijsdiensten te verrichten) of zijn opgericht zonder winstoogmerk (bijvoorbeeld als vereniging of stichting)?

5) Zijn de verhouding tussen enerzijds het aantal nationale studenten en studenten uit andere lidstaten en anderzijds het aantal studenten uit derde landen, en de omstandigheid dat het doel van de hoofdactiviteit van de entiteit erin is gelegen de studenten te voorzien van hoger onderwijs en een kwalificatie die conform de huidige internationale eisen concurrerend zijn in de internationale arbeidsmarkt (artikel 5 van de statuten van verzoekster), essentiële elementen voor het beoordelen van de economische aard van de activiteit van de entiteit die het projectvoorstel indient?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: OCW; EZK