C-165/20 Air Berlin

Contentverzamelaar

C-165/20 Air Berlin

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 juni 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     9 augustus 2020

Trefwoorden : broeikasgasemissierechten; luchtvaart; insolventie; mededinging

Onderwerp :

-           Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap;

-           Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Unie te verbeteren en uit te breiden;

 

Feiten:

Air Berlin was tot de tweede helft van 2017 actief als commerciële luchtvervoersonderneming. Air Berlin was ook onderworpen aan de regeling voor handel in emissierechten. De Duitse emissiehandelsautoriteit (DEHSt) had luchtvaartemissierechten toegewezen aan Air Berlin voor de jaren 2012 en 2013-2020. Op 15-08-2020 heeft Air Berlin een verzoek ingediend tot opening van de insolventieprocedure en op 28-1-2017 staakte zij officieel haar vluchten. Op 16-01-2018 werd ET tot curator aangesteld. De DEHSt besloot op 28-02-2018 de voorheen toegewezen emissierechten gedeeltelijk weer in te trekken. De voor deze zaak relevante reden hiervoor was dat Air Berlin na de opening van de insolventieprocedure het vliegverkeer had gestaakt. De EU-exploitatievergunning was op 01-02-2018 komen te vervallen. De DEHSt heeft het door ET ingestelde bezwaar tegen zijn besluit verworpen. ET betoogt dat Air Berlin emissierechten had moeten blijven krijgen, ondanks het feit dat de vluchten werden gestaakt.

 

Overweging:

Tot nu toe is niet verduidelijkt wat vereist is om te kunnen spreken van een voortzetting in de zin van richtlijn 2003/87. Evenmin is verduidelijkt of het behouden van toegewezen luchtvaartemissierechten afhangt van de omstandigheid of de luchtvaartactiviteiten volledig of gedeeltelijk zijn voortgezet. Verder wenst de verwijzende rechter duidelijkheid te verkrijgen over de bepalingen die zien op de gevolgen van de beëindiging door een vliegtuigexploitant van zijn activiteit voor de rekeningstatus en de overdrachten van emissierechten naar de rekening. Voort wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht vereist dat het toewijzingsbesluit wordt ingetrokken in geval van beëindiging van de luchtvaartactiviteiten. De vierde en de vijfde prejudiciële vraag zijn relevant voor de beslechting van het geding indien er in de onderhavige beroepsprocedure geen definitieve beslissing kan worden genomen voordat de derde handelsperiode afloopt.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moeten richtlijn 2003/87/EG en richtlijn 2008/101/EG in het licht van overweging 20 van richtlijn 2008/101/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de intrekking van de kosteloze toewijzing van luchtvaartemissierechten aan een vliegtuigexploitant voor de jaren 2018-2020, wanneer de toewijzing voor de jaren 2013-2020 is geschied en de vliegtuigexploitant zijn luchtvaartactiviteit in 2017 heeft beëindigd wegens insolventie?  Moet artikel 3 septies, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG aldus worden uitgelegd dat de intrekking van het toewijzingsbesluit na de beëindiging van de luchtvaartactiviteiten wegens insolventie ervan afhangt of zij door andere luchtvervoersondernemingen worden voortgezet? Moet artikel 3 septies, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG aldus worden uitgelegd dat sprake is van voortzetting van de luchtvaartactiviteiten wanneer landingsrechten op zogenoemde gecoördineerde luchthavens (slots) gedeeltelijk (voor de korte- en middellange-afstandsvluchten van de insolvente luchtvervoersonderneming) zijn verkocht aan drie andere luchtvervoersondernemingen?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Zijn de regelingen van artikel 10, lid 5, artikel 29, artikel 55, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 56 van verordening 389/2013 (Registerverordening 2013) geldig en verenigbaar met richtlijnen 2003/87/EG en 2008/101/EG, voor zover zij zich ertegen verzetten dat toegewezen maar nog niet verleende kosteloze luchtvaartemissierechten worden verleend wanneer de luchtvervoersonderneming haar vluchten wegens insolventie staakt?

3. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Moeten richtlijnen 2003/87/EG en 2008/101/EG aldus worden uitgelegd dat het Unierecht vereist dat het besluit omtrent de kosteloze toewijzing van luchtvaartemissierechten wordt ingetrokken?

4. Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en de derde vraag ontkennend wordt beantwoord: Moeten artikel 3 quater, lid 3 bis, artikel 28 bis, leden 1 en 2, en artikel 28 ter, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410, aldus worden uitgelegd dat de derde handelsperiode voor vliegtuigexploitanten niet eind 2020 afloopt, maar pas in 2023?

5. Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: Kunnen aanspraken op de toewijzing van extra kosteloze emissierechten aan vliegtuigexploitanten voor de derde handelsperiode na afloop van deze periode worden gehonoreerd met emissierechten voor de vierde handelsperiode wanneer het bestaan van zulke aanspraken pas na afloop van de derde handelsperiode bij een rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld, of vervallen nog niet gehonoreerde toewijzingsaanspraken bij afloop van de derde handelsperiode?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Trinseo Deutschland C-577/16; ExxonMobil Deutschland C-682/17; Vattenfall Europe Generation C-457/15;

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK