C-169/22 Groenland Poultry 

Contentverzamelaar

C-169/22 Groenland Poultry 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    25 april 2022

Trefwoorden : plattelandsontwikkeling, productiefaciliteiten, insolventie, overmacht

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

•          Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad

•          Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden

Feiten:

Avicola Crevedia SA heeft van Agroli meerdere ruimten en productiegoederen gehuurd die waren bestemd voor de pluimveehouderij en de productie van pluimveevlees. Met een steunaanvraag die zij bij verweerder heeft ingediend, is Avicola Crevedia SA vrijwillig voor een periode van vijf jaar een dierenwelzijnsverbintenis aangegaan als bedoeld in artikel 40 van verordening 1698/2005. Op 14-10- 2013 heeft Agroli de voornoemde productiefaciliteiten tot 29-03-2015 verhuurd aan de vennootschap Abator Avicola Crevedia SRL, die op grond van een overeenkomst die zij op 15-11-2013 met Avicola Crevedia SA heeft gesloten, de oorspronkelijk door de laatstgenoemde vennootschap aangegane dierenwelzijnsverbintenis heeft overgenomen. Op 06-03-2014 werd tegen Agroli een insolventieprocedure ingeleid. Op 30-03-2015 heeft verzoekster met Agroli een overeenkomst voor de huur van de productiefaciliteiten voor een periode van vijf jaar gesloten. Daarin was bepaald dat die overeenkomst volledig in werking zou treden na de vervulling van een opschortende voorwaarde die uitsluitend ten gunste van de verhuurder was gesteld, te weten de goedkeuring van de overeenkomst door de vergadering van schuldeisers in de insolventieprocedure, alsmede de goedkeuring van het saneringsplan van de verhuurder. Op 30-03-2015 hebben Abator Avicola Credevia SRL en verzoekster eveneens een overeenkomst gesloten op grond waarvan Abator Avicola Credevia SRL haar landbouwbedrijf heeft overgedragen aan verzoekster, die daarmee tevens de dierenwelzijnsverbintenis heeft overgenomen. In diezelfde overeenkomst heeft verzoekster zich ertoe verbonden de door de cedent in de steunaanvraag ondertekende verbintenissen en verklaringen over te nemen. Na de bedrijfsoverdracht heeft verweerder aan verzoekster een bedrag van 1 506 915,86 Roemeense leu (RON) betaald als steun voor het derde jaar van de verbintenis, en een bedrag van 850 653,61 RON als steun voor het vierde jaar van de verbintenis. Op 09-05-2016 werd tegen Agroli een faillissementsprocedure ingeleid. Deze vennootschap heeft verzoekster verzocht de productiefaciliteiten te ontruimen, aangezien de opschortende voorwaarde betreffende de goedkeuring van het saneringsplan wegens haar faillissement niet meer kon worden vervuld. De faillissementscurator van verzoekster heeft verweerder meegedeeld dat een faillissementsprocedure tegen verzoekster was ingeleid.  Aangezien verzoekster niet langer in staat was om de aangegane verbintenis na te komen, heeft verweerder besloten alle voor de eerste vier jaar van de verbintenis betaalde steunbedragen van verzoekster terug te vorderen. Daartoe heeft hij vier processen-verbaal tot constatering van onregelmatigheden en vaststelling van begrotingskredieten opgesteld. Verzoekster heeft hiertegen bezwaren ingesteld. Zij beroept zich o.a. op artikel 47, lid 1, onder c), van verordening 1974/2006 en voert aan dat haar situatie kan worden gelijkgesteld met een onteigening die op de dag waarop de verbintenis is aangegaan niet was te voorzien.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter moeten voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding artikel 44, lid 2, onder a), en artikel 47, lid 1, van verordening 1974/2006 worden uitgelegd met betrekking tot drie aspecten. Ten eerste moet het begrip „overmacht of uitzonderlijke omstandigheden” in artikel 47, lid 1, van verordening  1974/2006 worden uitgelegd om uit te maken of daaronder ook de situatie valt waarin de begunstigde van de steun het recht op gebruik van de gehuurde productiefaciliteiten verliest als gevolg van de beëindiging van de huurovereenkomst wegens insolventie van de verhuurder. Ten tweede moet artikel 44, lid 2, onder a), van verordening 1974/2006 worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van de zaak, die worden gekenmerkt door het feit dat het bedrijf van de oorspronkelijke begunstigde aan verzoekster is overgedragen tijdens de periode waarin de verbintenis die was aangegaan als voorwaarde voor de verlening van de steun is nagekomen, en verzoekster, hoewel zij een belangrijk deel van de verbintenis is nagekomen, haar landbouwactiviteiten heeft beëindigd, en de overname van deze verbintenis door een opvolger niet haalbaar was. Ten derde moet, in nauwe samenhang met het voorgaande, artikel 44, lid 2, onder a), van verordening 1974/2006 worden uitgelegd om na te gaan of in casu is voldaan aan de voorwaarde dat „overname van de verbintenis door een opvolger niet haalbaar is”. Volgens de verwijzende rechter lijkt de voornoemde voorwaarde te vereisen dat de begunstigde die beweert zich feitelijk in een dergelijke situatie te bevinden daarvan bewijs overlegt, en niet dat abstract bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat geen enkele onderneming belangstelling heeft voor de overname van de verbintenis, welk bewijs onmogelijk kan worden geleverd. Bovendien moet de beoordelingsvrijheid van de bestuurlijke autoriteiten bij de beoordeling van dergelijke situaties binnen de grenzen van de redelijkheid blijven.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 47, lid 1, van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) aldus worden uitgelegd dat gevallen van „overmacht of uitzonderlijke omstandigheden” ook situaties omvatten waarin de begunstigde van de steun het recht op gebruik van de gehuurde goederen verliest als gevolg van de beëindiging van de huurovereenkomst wegens insolventie van de eigenaar van de gehuurde goederen (verhuurder)?

2) Moet, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, artikel 44, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) aldus worden uitgelegd dat, wanneer het bedrijf van een begunstigde geheel of gedeeltelijk aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de toekenning van steun, en deze tweede begunstigde, ondanks het feit dat hij een belangrijk deel van de verbintenis is nagekomen, zijn landbouwactiviteiten beëindigt en overname van die verbintenis door een opvolger niet haalbaar is, de tweede begunstigde van de verbintenis [rectius: van de steun] de steun die hij heeft ontvangen (voor de periode waarin hij de begunstigde van de steun was) moet terugbetalen, of ook de steun moet terugbetalen die de eerste begunstigde van de onderneming heeft ontvangen?

3) Welke omstandigheden moet de nationale rechter in aanmerking nemen bij de uitlegging van artikel 44, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), om te beoordelen of „overname van die verbintenis door een opvolger niet haalbaar is”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV, EZK