C-170/21 Profi Credit Bulgaria 

Contentverzamelaar

C-170/21 Profi Credit Bulgaria 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     4 juli 2021

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; consumentenovereenkomsten; bevoegdheid

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

Feiten:

TIT (consument) heeft op 29-12-2017 een consumentenkredietovereenkomst gesloten met verzoeker (Profi Krediet). TIT had elf termijnen betaald en betalingsachterstand opgelopen. Als gevolg daarvan werd de vervroegde vervaldag van het krediet vastgesteld op 11-08-2020. TIT werd daarvan in kennis gesteld. Verzoeker heeft op 21-10-2020 een verzoek om een betalingsbevel ingediend (artikel 410 GPK, wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Naar nationaal recht wordt die procedure tot aan de uitvaardiging van het bevel eenzijdig gevoerd. Het ingediende verzoek strekt tot uitvaardiging van een betalingsbevel op grond van schuldvorderingen uit een consumentenkredietovereenkomst. Volgens de verklaringen van alle in de zaak bevoegde rechters kan er redelijkerwijze van worden uitgegaan dat de aanspraken gedeeltelijk gebaseerd zijn op oneerlijke bedingen die het bedrag van de schuldvorderingen uit het krediet hebben verhoogd. Zoals door verzoekster is aangegeven, heeft TIT betalingen verricht die onder meer zijn aangewend ter voldoening van schuldvorderingen uit de oneerlijke begingen.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is het van belang om vast te stellen of in procedures waarbij de consument geen partij is, de nationale rechter – die wanneer bij bepaalde vermoedens heeft, nagaat of een contractueel beding oneerlijk is en beschikt over de daartoe noodzakelijke gegevens – ertoe gehouden is de uitvaardiging van het betalingsbevel als bedoeld in artikel 410 GPK volledig te weigeren, dan wel slechts gedeeltelijk, en daarbij ambtshalve rekening dient te houden met de gevolgen van het oneerlijke karakter van het beding, wanneer deze nationale rechter beschikt over informatie over de op dit beding gebaseerde betalingen, en of de nationale rechter gebonden is aan de aanwijzingen van een hogere rechter die, ofschoon hij een contractueel beding als oneerlijk heeft aanmerkt, niettemin een betalingsbevel als bedoeld in artikel 410 GPK uitvaardigt en daarmee in wezen voorbijgaat aan bepaalde gevolgen van het oneerlijke karakter van het beding.

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG aldus te worden uitgelegd dat in procedures waarbij de schuldenaar tot aan de uitvaardiging van een rechterlijk betalingsbevel geen partij is de rechter ambtshalve moet onderzoeken of een contractueel beding oneerlijk is, en indien hij vermoedt dat dit het geval is, dit beding buiten toepassing moet laten?

2. Voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de nationale rechter de uitvaardiging van een rechterlijk betalingsbevel dan volledig weigeren, wanneer de vordering gedeeltelijk op een oneerlijk contractueel beding is gebaseerd dat mede de omvang van de opgeëiste schuldvordering bepaalt?

3. Voor het geval de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet de nationale rechter de uitvaardiging van een rechterlijk bevel dan weigeren voor dat deel van de vordering dat op het oneerlijke beding is gebaseerd?

4. Voor het geval de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, is de rechter dan verplicht, en zo ja, onder welke voorwaarden, om ambtshalve rekening houden met de gevolgen van het oneerlijke karakter van een beding, wanneer er informatie beschikbaar is over een daarop gebaseerde betaling, onder meer door deze betaling te verrekenen met andere uit de overeenkomst voortvloeiende schulden?

5. Voor het geval de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord, is de nationale rechter dan gebonden aan de aanwijzingen van een hogere rechter – die naar nationaal recht voor de rechter tegen wiens uitspraak beroep is ingesteld bindend zijn −, wanneer daarin geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van het oneerlijke karakter van een beding?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-243/08

Specifiek beleidsterrein: EZK; JenV