C-174/22 EV

Contentverzamelaar

C-174/22 EV

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    12 juni 2022

Trefwoorden : drugsprecursoren, vergunning, registratie, strafbare feiten

Onderwerp : Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren

Feiten:

Op 21-12-2018 hebben drie agenten van de regionale politie Varna drie personen opgemerkt die duidelijk verontrust waren door de aanwezigheid van de politie. Daarop is hun identiteit geverifieerd en is vastgesteld dat het om de verdachte EV en twee van zijn kennissen ging, die later tijdens de procedure als getuigen zijn opgetreden. Op de vraag of zij in het bezit van drugs of andere verboden stoffen waren, hebben de getuigen ontkennend geantwoord. Tijdens het gesprek heeft de verdachte verklaard dat hij twee flessen tolueen bij zich had. Hij heeft zijn tas geopend waarin een digitale weegschaal en een zakje van polyethyleen met een rode poederachtige stof zaten; volgens EV ging het hierbij om rode fosfor. De politieagenten hebben de verdachte naar het politiebureau gebracht. Op basis van de resultaten van de verrichte onderzoeken zijn de deskundigen tot de conclusie gekomen dat de voorwerpen kunnen worden gebruikt als precursoren in een proces voor de synthese van het verdovende middel methamfetamine, volgens de zogeheten efedrine-/pseudo-efedrine-reductiemethode door verhitting in de aanwezigheid van waterstofjodide. De verdachte en zijn advocaten betogen dat de handeling geen strafbaar feit in de zin van artikel 354a lid 1, tweede volzin, NK (wetboek van strafrecht) oplevert aangezien de twee stoffen die bij de politiecontrole in het bezit van verdachte zijn aangetroffen, een legaal gebruik kennen en in het dagelijks leven veel voorkomen. Ter ondersteuning van het verweer dat de handeling niet voldoet aan de voorwaarden van het strafbaar feit, beroepen de advocaten zich op verordening 273/2004 en wijzen zij erop dat de stof tolueen in categorie 3 van bijlage I is opgenomen en dat noch een vergunning in de zin van artikel 3, lid 2, van de verordening noch een registratie in de zin van artikel 3, lid 6, van de verordening voor het bezit ervan vereist is.

Overweging:

Een deel van het voorwerp van het strafbare feit in het hoofdgeding, twee liter tolueen, valt onder categorie 3 van bijlage 1 bij verordening 1 en onder dezelfde categorie van verordening 273/2004. Voor het verrichten van activiteiten in verband met stoffen van deze categorie en met name het in bezit hebben van dergelijke stoffen is niet bepaald dat een vergunning of registratie vereist is, ongeacht de vraag of de verdachte als een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder d), van verordening 273/2004 wordt beschouwd (voor zover hem ten laste wordt gelegd dat de strafbaar gestelde stoffen bestemd waren om te worden doorverkocht) dan wel als een gebruiker in de zin van artikel 2, onder h), van die verordening. In de nationale rechtspraak met betrekking tot de stoffen van de eerste twee categorieën van bijlage 1 is weliswaar vastgesteld dat de activiteit zonder correcte vergunning wordt verricht, indien er geen op grond van de ZKNVP (wet betreffende de controle op verdovende middelen en drugsprecursoren) en verordening 1 vereiste vergunningen (voor stoffen van categorie 1) of registraties (voor stoffen van categorie 2) bestaan, maar wijzen de nationale rechters er met betrekking tot de stoffen van categorie 3 slechts op dat het hierbij om stoffen gaat die krachtens verordening 273/2004 aan controle zijn onderworpen, zonder te preciseren aan welke inhoudelijke vereisten de activiteiten met stoffen van categorie 3 moeten voldoen, en of een specifieke handeling van een overheidsinstantie voor de verwerving, het bezit en het gebruik ervan vereist is.

Prejudiciële vraag:

Staan de bepalingen van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004, die invulling geven aan de blanketnorm van artikel 354a van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht) juncto artikel 3, lid 4, van de Zakon za kontrol varhu narkotichnite veshtestva i prekursorite (wet inzake de controle op verdovende middelen en drugsprecursoren), toe dat een persoon schuldig wordt bevonden aan het bezit van een stof van categorie 3 van bijlage I, te weten twee liter tolueen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV