C-175/20 Valsts ieņēmumu dienests

Contentverzamelaar

C-175/20 Valsts ieņēmumu dienests

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 juni 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    10 augustus 2020

Trefwoorden : Algemene verordening gegevensbescherming; belastingdienst

Onderwerp :

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (hierna: AVG)

 

Feiten:

De Letse belastingdienst (hierna: VID) heeft een wettelijke bevoegdheid persoonsgegevens op te vragen, onder meer aan dienstverleners op het gebied van internetadvertenties. In dit kader heeft de VID aan verzoekster een informatieverzoek gedaan, en gevraagd om elektronische toezending van informatie over op haar portaalsite geplaatste advertenties in de rubriek ‘Personenauto’s’. Het verzoek om informatie (o.a. over de advertentie, het type voertuig, de vraagprijs en het telefoonnummer van verkoper) vermeldde geen concrete groep betrokkenen en gaf geen indicaties ten aanzien van het doel of de omvang van de beoogde verwerking, of de duur van de verplichting informatie te verstrekken. Verzoekster heeft hierover een klacht ingediend: in deze vorm zou het verzoek in strijd zijn met de in art. 5 AVG neergelegde beginselen van evenredigheid en beperking tot een minimum van de verwerking van persoonsgegevens. Daarbij vindt zij het verzoek niet wettelijk gerechtvaardigd. Haar klacht is bij besluit afgewezen door de VID op de grond dat de VID met het verzoek handelt in de uitoefening van zijn wettelijke bevoegdheden. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat in eerste aanleg is verworpen omdat de AVG alleen van toepassing zou zijn op verzoekster in haar hoedanigheid van dienstverlener, en niet op de VID. Verzoekster heeft hiertegen bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld.

 

Overweging:

Gelet op de onlosmakelijke verbondenheid van het informatieverzoek met de verwerking van persoonsgegevens en de mogelijkheid dat het op deze wijze verwerken van persoonsgegevens de grondrechten van een grote groep personen kan aantasten, twijfelt de verwijzende rechter of de VID in overeenstemming met de AVG handelt. Het ontbreekt de verwijzende rechter echter aan duidelijke criteria op basis waarvan zij kan beoordelen of aan de vereisten van de verordening, met name art. 5 lid 1, is voldaan.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten aldus worden uitgelegd dat een verzoek van de belastingdienst om informatie zoals in casu aan de orde, waarbij informatie wordt opgevraagd die een aanzienlijke hoeveelheid persoonsgegevens bevat, moet voldoen aan die vereisten (in het bijzonder artikel 5, lid 1, van de verordening)?

2) Moeten de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten aldus worden uitgelegd dat de belastingdienst kan afwijken van artikel 5, lid 1, van deze verordening, ook al verleent de in de Republiek Letland geldende wetgeving de belastingdienst die mogelijkheid niet?

3) Kan bij de uitlegging van de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten worden aangenomen dat er een legitiem doel bestaat ter rechtvaardiging van de verplichting die bij een verzoek om informatie zoals in casu wordt opgelegd om een onbepaald aantal gegevens over een onbepaald tijdvak te verstrekken, zonder dat er een einddatum is vastgesteld waarop niet langer aan dat verzoek om informatie hoeft te worden voldaan?

4) Kan bij de uitlegging van de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten worden aangenomen dat er een legitiem doel bestaat ter rechtvaardiging van de verplichting die bij een verzoek om informatie zoals in casu wordt opgelegd om alle verlangde gegevens te verstrekken, ook al vermeldt het verzoek om informatie niet (of onvolledig) wat het doel van de informatieverstrekking is?

5) Kan bij de uitlegging van de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten worden aangenomen dat er een legitiem doel bestaat ter rechtvaardiging van de verplichting die bij een verzoek om informatie zoals in casu wordt opgelegd om alle verlangde gegevens te verstrekken, ook al heeft dat verzoek in de praktijk betrekking op alle betrokkenen die advertenties in de rubriek “Personenauto’s” van een portaalsite hebben geplaatst?

6) Welke criteria moeten worden toegepast om na te gaan of de belastingdienst, die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke, naar behoren waarborgt dat de gegevensverwerking (met inbegrip van de informatieverzameling) voldoet aan de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten?

7) Welke criteria moeten worden toegepast om na te gaan of een verzoek om informatie zoals in casu naar behoren is gemotiveerd en incidenteel van aard is?

8) Welke criteria moeten worden toegepast om na te gaan of de verwerking van persoonsgegevens wordt uitgevoerd in de mate waarin dat nodig is en in overeenstemming met de in de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten?

9) Welke criteria moeten worden toegepast om na te gaan of de belastingdienst, die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke, waarborgt dat de gegevensverwerking voldoet aan de in artikel 5, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming gestelde vereisten (verantwoordingsplicht)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-496/17 Deutsche Post

Specifiek beleidsterrein: FIN;  JenV