C-176/20 SC Avio Lucos

Contentverzamelaar

C-176/20 SC Avio Lucos

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 juni 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     8 augustus 2020

Trefwoorden : steun; landbouw

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad;

-           Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;

 

Feiten:

Volgens de Roemeense regelgeving komen actieve landbouwers in aanmerking voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling, te weten natuurlijke en/of rechtspersonen die als gebruiker van landbouwgrond en/of rechtmatige houders van dieren een landbouwactiviteit uitoefenen overeenkomstig de geldende wetgeving. Verzoekster (een rechtspersoon) meent in aanmerking te komen voor de betalingen door aan te tonen dat zij een actieve landbouwer is, en dat zij niet van dit voordeel kan worden uitgesloten omdat zij een handelsvennootschap is die met natuurlijke personen bruikleenovereenkomsten heeft gesloten. Verzoeksters aanvraag en het daaropvolgend administratief bezwaar werden afgewezen omdat zij niet een minimumbelasting van 0,3 eenheden grote runderen per hectare had verzekerd. Het beroep dat verzoekster vervolgens indiende bij de rechter in eerste aanleg werd ongegrond verklaard omdat de concessieovereenkomst in strijd met wettelijke bepalingen was gesloten en omdat verzoekster kunstmatige voorwaarden voor het verkrijgen van de financiële steun had gecreëerd. Verzoekster heeft hierop een hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wenst te vernemen of verordening 1307/2013 in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de minimumactiviteit die moet worden uitgeoefend op een landbouwareaal dat gewoonlijk in een voor grasland geschikte staat wordt gehouden, bestaat in het begrazen met dieren die de landbouwer exploiteert. Zo niet, dan is de vraag of het begrip actieve landbouwer een rechtspersoon omvat die een concessieovereenkomst heeft gesloten zoals in casu, en die dieren heeft op grond van een bruikleenovereenkomst met natuurlijke personen waarbij de uitleners aan de bruikleners om niet vee dat zich in hun eigendom bevindt beschikbaar stellen voor het grazen, op het grasland dat door bruikleners in overeengekomen tijdvakken ter beschikking wordt gesteld. Ten slotte twijfelt de verwijzende rechter over de vraag of de concessie- en bruikleenovereenkomsten ook onder kunstmatige voorwaarden vallen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Staat verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het  gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad in de weg aan een nationale regeling waarin is bepaald dat de minimumactiviteit die moet worden verricht op landbouwarealen die gewoonlijk in een voor begrazing geschikte staat worden gehouden bestaat in het begrazen door de dieren die de landbouwer exploiteert?

2) Voor zover het hierboven aangegeven [Unierecht] zich niet verzet tegen de in de eerste vraag genoemde nationale regeling, kunnen artikel 4, lid 1, onder a) en c), en artikel 9, lid 1, van verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 dan aldus worden uitgelegd dat als „actieve landbouwer” kan worden beschouwd een rechtspersoon die een concessieovereenkomst heeft gesloten in  omstandigheden zoals die in het hoofdgeding en vee houdt op grond van met natuurlijke personen gesloten bruikleenovereenkomsten waarbij de uitleners vee dat zich in hun eigendom bevindt om niet beschikbaar stellen aan de bruiklener, om het in afgesproken tijdvakken te laten grazen op grasland dat de leners ter beschikking stellen?

3) Dient artikel 60 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad aldus te worden uitgelegd dat een concessieovereenkomst en bruikleenovereenkomsten zoals die in het hoofdgeding kunstmatig gecreëerde voorwaarden zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV; EZK