C-178/22 Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bolzano

Contentverzamelaar

C-178/22 Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bolzano

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    13 juni 2022

Trefwoorden : diefstal, telefoongegevens, persoonlijke levenssfeer, zware criminaliteit

Onderwerp :

Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie

Feiten:

Op 27-10-2021 zijn In Bolzano twee diefstallen gepleegd van mobiele telefoons waarvan de eigenaren aangifte hebben gedaan bij de politie. Het openbaar ministerie heeft de rechter vervolgens verzocht om verkrijging van de telefoongegevens. Het verzoek, dat ertoe strekt te achterhalen wie de diefstal heeft gepleegd, is gebaseerd op artikel 132, lid 3, van decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 196/2003 (ook bekend als de privacywet), zoals onlangs gewijzigd bij artikel 1 van decreto legge n. 132. Voor het strafbare feit van gekwalificeerde diefstal, dat ambtshalve kan worden vervolgd, voorziet artikel 625 CP in een straf met een bijzonder gevolg, te weten een gevangenisstraf van twee tot zes jaar. Voor eenvoudige diefstal, waarvoor vervolging kan worden ingesteld indien de beroofde persoon een klacht heeft ingediend, voorziet artikel 624 CP in een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.

Overweging:

Het Hof heeft in haar rechtspraak geoordeeld dat beperkende wetsbepalingen uitsluitend kunnen worden gerechtvaardigd wanneer ernstige strafbare feiten worden vervolgd, zoals ernstige bedreigingen van de nationale (staats)veiligheid en andere vormen van zware criminaliteit, aangezien ook aan de hand van telefoongegevens, door de verwerking van zogeheten metadata, informatie over het privéleven van personen kan worden verzameld. Aangezien de rechter bij het bepalen welke strafbare feiten als „ernstige bedreigingen van de nationale veiligheid en andere vormen van zware criminaliteit” kunnen worden aangemerkt een ruime uitleggingsmarge heeft, heeft het Italiaanse grondwettelijke hof geoordeeld dat de rechtspraak van het Hof niet rechtstreeks door de nationale rechters kon worden toegepast omdat het geen uitvoerend karakter heeft. Daarom heeft de nationale wetgever ingegrepen door het decreto legge nr. 132 vast te stellen, waarin hij heeft bepaald dat de ernstige strafbare feiten waarvoor telefoongegevens kunnen worden verkregen, de strafbare feiten zijn waarop bij wet een „maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar” is gesteld. Met andere woorden, volgens de nationale wetgever kunnen telefoongegevens nog steeds worden verkregen in geval van diefstal, ook van voorwerpen van geringe waarde, zoals de diefstal van een mobiele telefoon of een fiets. Volgens de verwijzende rechter mogen deze grondrechten op grond van artikel 15 van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest C-746/18, uitsluitend worden opgeofferd in geval van ernstige strafbare feiten. Dit vraagstuk dient bijgevolg opnieuw aan het Hof te worden voorgelegd, voor een prejudiciële beslissing over de vraag of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG in de weg staat aan een nationale regeling die in het algemeen en zonder onderscheid tussen de verschillende soorten strafbare feiten, voorschrijft dat indien er voldoende aanwijzingen zijn voor een strafbaar feit, telefoongegevens worden verkregen voor strafbare feiten waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar en een geldboete staan.

Prejudiciële vragen:

Verzet artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 zich tegen de nationale regeling van artikel 132 van decreto legislativo nr. 196 van 30 juni 2003 (privacywet), waarvan lid 3 is gewijzigd bij decreto legge nr. 132 van 30 september 2021, dat met wijzigingen is omgezet in wet nr. 178 van 23 november 2021, en in zijn huidige versie luidt als volgt:

3. Binnen de wettelijke bewaartermijn worden, indien er voldoende aanwijzingen zijn voor strafbare feiten waarvoor de wet voorziet in een levenslange gevangenisstraf of een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de codice di procedura penale, en voor de strafbare feiten van bedreigen, lastigvallen of storen van personen via de telefoon, wanneer die een ernstige vorm aannemen, de gegevens verkregen, voor zover zij relevant zijn voor de vaststelling van de feiten, nadat de rechter daartoe bij gemotiveerde beslissing toestemming heeft verleend, op verzoek van het openbaar ministerie of op vordering van de advocaat van de beklaagde, de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft, de benadeelde partij of andere particuliere partijen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Prokuratuur (Conditions d’accès aux données relatives aux communications électroniques) (C-746/18)

Specifiek beleidsterrein: JenV