C-18/15 Brisal

Contentverzamelaar

Terug C-18/15 Brisal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   05 maart 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   19 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   19 april 2015
Trefwoorden: vrije dienstverlening; vrij kapitaalverkeer; gelijke behandeling

Onderwerp: VWEU artikel 56 (vrij verkeer diensten); artikel 63 (kapitaalverkeer)

Verzoekster is een POR bedrijf. Zij sluit in 2004 een financieringscontract met een consortium van banken voor uitvoering van een concessieovereenkomst met de POR staat. In 2005 treedt de IER bank KBC Finance Ireland toe tot het consortium. Verzoekster draagt de door haar ingehouden bronbelasting over aan KBC betaalde rente over af aan de POR staat. In 2007 maken verzoekster en KBC bezwaar tegen het bedrag aan betaalde bronbelasting, dat in april 2008 wordt afgewezen. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter omdat verzoekster en KBC menen dat de heffing in strijd is met EU-regels gelet op de verschillende belastingregelingen voor ingezeten en niet-ingezeten bankinstellingen. Verzoeksters maken bezwaar tegen het in de nationale regelgeving verwerkte verschil in heffing bronbelasting tussen ingezeten en niet-ingezeten geldinstellingen, dat niet geheel wordt gecompenseerd door de voor niet-ingezetenen lagere vennootschapsbelasting. Aangezien de rentetarieven voor interbancaire transacties (EURIBOR en LIBOR) openbaar zijn is dit eenvoudig vast te stellen. Verzoeksters stellen dan ook, onder verwijzing naar diverse arresten van het HvJEU, ongelijke behandeling waarvoor een rechtvaardigingsgrond ontbreekt.

De verwijzende POR rechter (Supremo Tribunal Administrativo) concludeert dat de zaak Gerritse de grootste gelijkenis vertoont met onderhavige casus. Het HvJEU oordeelde dat, ook al kan aan de vrijheid van dienstverrichting afbreuk worden gedaan door de regel volgens welke de voor het verkrijgen van de inkomsten noodzakelijke kosten niet aftrekbaar waren voor niet-ingezetenen, deze regel niet langer een beperkende impact op deze vrijheid heeft wanneer het daadwerkelijk toegepaste belastingtarief niet hoger is dan het tarief dat – zonder rekening te houden met de belastingvrije som en in gelijke omstandigheden – geldt voor ingezetenen. Maar het HvJEU heeft zich in die zaak niet specifiek uitgesproken over belasting over grensoverschrijdende rentebetaling van financiële instellingen. Er is dus voor onderhavige zaak zeker geen sprake van een acte clair. Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:
1) Verzet artikel 56 VWEU zich tegen een nationale belastingregeling volgens welke financiële instellingen die geen ingezetenen van Portugal zijn, zijn onderworpen aan inkomstenbelasting over op het grondgebied van deze lidstaat vervallen rente die tegen het definitieve tarief van 20 % (of minder indien zo is bepaald in een dubbelbelastingverdrag) als bronheffing wordt geheven over de bruto-inkomsten zonder dat de rechtstreeks met de uitoefening van de financiële activiteit verbonden bedrijfskosten kunnen worden afgetrokken, terwijl de door ingezeten financiële instellingen ontvangen rente wordt opgenomen in het totale belastbare inkomen waarbij eventuele met de uitoefening van de activiteit verbonden kosten worden afgetrokken bij de vaststelling van de winst met het oog op de heffing van de vennootschapsbelasting, zodat het algemene tarief van 25 % wordt toegepast op de uit rente verkregen netto-inkomsten?
2) Verzet artikel 56 VWEU zich ook dan tegen deze regeling wanneer blijkt dat de belastbare grondslag van ingezeten financiële instellingen, na aftrek van de financieringskosten die verband houden met de rente-inkomsten of van kosten die economisch rechtstreeks verband houden met deze inkomsten, zwaarder wordt of kan worden belast in vergelijking met de heffing van de bronbelasting over de bruto-inkomsten van niet-ingezeten financiële instellingen?
3) Kunnen daartoe de met de kredietverstrekkingen verbonden financieringskosten of de kosten die economisch rechtstreeks verband houden met de rente-inkomsten worden bewezen aan de hand van informatie afkomstig van de EURIBOR („Euro Interbank Offered Rate”) en de LIBOR („London Interbank Offered Rate”), zijnde het gemiddelde rentetarief voor interbancaire financieringen dat banken bij de uitoefening van hun activiteiten toepassen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-234/01 Gerritse; C-105/02 CIE/POR; C-345/02 Centro Equestre; C-290/04 Scorpio; C-452/04 Fidium Finanz; C-282/07 Truck Center
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten