C-187/20 BMW Bank et Volkswagen Bank

Contentverzamelaar

C-187/20 BMW Bank et Volkswagen Bank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 juni 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    11 augustus 2020

Trefwoorden : consumentenrecht; banken; herroepingsrecht

Onderwerp :

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

 

Feiten:

Het gaat hier om twee gevoegde procedures met soortgelijke feiten. In beide procedures hebben verzoekers een kredietovereenkomst afgesloten met respectievelijk BMW Bank en Volkswagen bank. Deze kredietovereenkomsten zijn gesloten voor de aankoop van een voertuig voor privégebruik. Verzoekers hebben de kredietovereenkomsten – twee jaar voor het aflopen van de aflossingsverplichtingen – herroepen. Verzoekers zijn van mening dat de herroeping geldig is aangezien de herroepingstermijn niet is ingegaan wegens het ontbreken van voorgeschreven informatie. Verweersters stellen alle wettelijk verplichte informatie naar behoren te hebben verstrekt. Daarnaast zou hier sprake zijn van verval van het herroepingsrecht. Uitoefening van het herroepingsrecht zou rechtsmisbruik vormen.

 

Overweging:

Het slagen van de vorderingen hangt af van de geldigheid van de betreffende beëindiging van de leningsovereenkomsten en van de vraag of de betrokken kredietgever zich in voorkomend geval kan beroepen op het verval van het herroepingsrecht dan wel de uitoefening ervan misbruik van recht oplevert. De verwijzende rechter wijst tevens op de deels identieke vragen en de parallellen met de zaken C-33/20 en C-155/20 en verzoekt om de onderhavige zaak te voegen met die zaken.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 10, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat met betrekking tot het soort krediet in voorkomend geval moet worden vermeld dat het om een gelieerde kredietovereenkomst en/of om een kredietovereenkomst van bepaalde duur gaat?

2. Moet artikel 10, lid 2, onder d), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat in de contractuele voorwaarden voor een kredietopneming bij gelieerde kredietovereenkomsten ten behoeve van de financiering van een koopobject moet worden vermeld dat de kredietnemer door de uitbetaling van het geleende bedrag aan de verkoper wordt bevrijd van zijn verplichting tot betaling van de koopprijs en dat de verkoper het gekochte object aan hem moet leveren indien de koopprijs volledig betaald is?

3. Moet artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat:

a)         de bij het sluiten van de kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet in absolute cijfers moet worden meegedeeld, althans op zijn minst de geldende referentierentevoet (in dit geval de basisrente volgens § 247 BGB) aan de hand waarvan de geldende vertragingsrentevoet kan worden vastgesteld door een opslag (in casu van vijf procentpunten overeenkomstig § 288, lid 1, tweede volzin, BGB)?

b)         concrete informatie moet worden gegeven over het mechanisme voor de aanpassing van de vertragingsrentevoet, althans op zijn minst moet worden verwezen naar de nationale bepalingen waaruit de aanpassing van de vertragingsrentevoet kan worden afgeleid (§ 247, § 288, lid 1, tweede volzin, BGB)?

4. a) Moet artikel 10, lid 2, onder r), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst een concrete, voor de consument begrijpelijke methode voor de vaststelling van de aflossingsboete moet bevatten, zodat de consument het bedrag van de aflossingsboete op zijn minst bij benadering kan berekenen?

c)         Ingeval de voorgaande vraag a) bevestigend moet worden beantwoord: verzetten artikel 10, lid 2, onder r), en artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2008/48/EG zich tegen een nationale regeling volgens welke, in geval van onvolledige informatie in de zin van artikel 10, lid 2, onder r), van die richtlijn, de herroepingstermijn niettemin ingaat bij het sluiten van de overeenkomst en daardoor enkel het recht van de kredietgever op een vergoeding voor de vervroegde aflossing van het krediet vervalt?

5. Moet artikel 10, lid 2, onder s), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd:

a)         dat in de kredietovereenkomst ook de in het nationale recht geregelde rechten van beëindiging van de partijen bij de kredietovereenkomst, in het bijzonder ook het recht van de kredietnemer tot beëindiging wegens gewichtige redenen als bedoeld in § 314 BGB in het geval van kredietovereenkomsten van bepaalde duur, moeten worden vermeld en dat uitdrukkelijk moet worden verwezen naar de bepaling waarin dit recht tot beëindiging is vastgesteld?

b)         Ingeval de voorgaande vraag a) ontkennend moet worden beantwoord: dat het [artikel] zich niet verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat het noemen van een nationaal bijzonder recht van beëindiging een verplichte vermelding in de zin van artikel 10, id 2, onder s), van richtlijn 2008/48/EG is?

c)         dat in de kredietovereenkomst bij alle rechten van beëindiging van de partijen bij de kredietovereenkomst moet worden gewezen op de respectieve vorm- en termijnvereisten voor de beëindigingsverklaring bij de uitoefening van het recht van beëindiging?

6. Moet artikel 10, lid 2, onder t), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst de wezenlijke vormvereisten voor het indienen van een klacht en/of het instellen van beroep in een buitengerechtelijke klachten- en/of beroepsprocedure moet bevatten? Dient te worden geoordeeld dat het in dit verband niet volstaat dat daarvoor wordt verwezen naar een regeling voor buitengerechtelijke klachten- en/of beroepsprocedures die kan worden gedownload via het internet?

7. Is het bij een kredietovereenkomst voor consumenten uitgesloten dat e kredietgever zich met betrekking tot de uitoefening van het herroepingsrecht door de consument, krachtens artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG, beroept op het verval van dat recht,

a)         wanneer verplichte informatie, als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG, noch zoals voorgeschreven in de kredietovereenkomst is opgenomen, noch achteraf op de voorgeschreven wijze is verstrekt en bijgevolg de herroepingstermijn als bedoeld in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG niet is ingegaan?

b)         Ingeval de voorgaande vraag a) ontkennend moet worden beantwoord: wanneer het verval van recht voornamelijk is gebaseerd op het tijdsverloop sinds het sluiten van de overeenkomst en/of op de volledige uitvoering van de overeenkomst door beide partijen bij de overeenkomst en/of op het beschikken van de kredietgever over het terugontvangen bedrag van de lening of op de teruggave van de kredietgaranties en/of (in het geval van een met de kredietovereenkomst gelieerde koopovereenkomst) op het gebruik of de vervreemding van het door de consument gefinancierde object, maar de consument in het relevante tijdvak en bij het ontstaan van de relevante omstandigheden niet op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht en voor zijn onwetendheid evenmin verantwoordelijk is, en de kredietgever ook niet ervan kon uitgaan dat de consument deze kennis bezit?

8. Is het bij een kredietovereenkomst voor consumenten uitgesloten dat de kredietgever zich met betrekking tot de uitoefening van het herroepingsrecht door de consument, krachtens artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG, beroept op misbruik van recht,

a)         wanneer verplichte informatie, als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG, noch zoals voorgeschreven in de kredietovereenkomst is opgenomen, noch achteraf op de voorgeschreven wijze is verstrekt en bijgevolg de herroepingstermijn als bedoeld in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG niet is ingegaan?

b)         Ingeval de voorgaande vraag a) ontkennend moet worden beantwoord: wanneer het misbruik van recht voornamelijk is gebaseerd op het tijdsverloop sinds het sluiten van de overeenkomst en/of op de volledige uitvoering van de overeenkomst door beide partijen bij de overeenkomst en/of op het beschikken van de kredietgever over het terugontvangen bedrag van de lening of op de teruggave van de kredietgaranties en/of (in het geval van een met de kredietovereenkomst gelieerde koopovereenkomst) op het gebruik of de vervreemding van het door de consument gefinancierde object, maar de consument in het relevante tijdvak en bij het ontstaan van de relevante omstandigheden niet op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht en voor zijn onwetendheid evenmin verantwoordelijk is, en de kredietgever ook niet ervan kon uitgaan dat de consument deze kennis bezit?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: CILFIT C-283/81; C-33/20; C-155/20

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK