C-192/20 Prima banka Slovensko

Contentverzamelaar

C-192/20 Prima banka Slovensko

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 juli 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 augustus 2020

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; kredietovereenkomsten consumenten; banken

Onderwerp :

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

 

Feiten:

Verzoeker (Prima Banka Slovensko) heeft in 2016 een consumentenkrediet van €5.700,- verstrekt aan verweerder (HD) tegen een rente van 7,9%. HD diende het krediet terug te betalen in 96 maandelijkse termijnen van €80,68. HD heeft tot en met augustus 2017 aflossingstermijnen betaald en in september 2017 nog slechts een deel van de maandelijkse termijn betaald. In totaal heeft hij een bedrag van €1.162,60 betaald, waarvan de bank €616,21 heeft toegerekend aan aflossing van de hoofdsom. Wegens verzuim heeft de bank het krediet op 28-12-2017 onmiddellijk opeisbaar gesteld. De bank heeft HD meegedeeld dat hij het volledige krediet in één keer diende terug te betalen en heeft hem vervolgens gedagvaard. De bank vordert betaling van I) de hoofdsom, II) de uitstaande rente en de III) vertragingsrente totdat het krediet onmiddellijk opeisbaar is gesteld, IV) punitieve vertragingsrente, V) verzekeringskosten, VI) vertragingsrente en VII) contractuele rente vanaf de datum waarop het krediet onmiddellijk opeisbaar is gesteld tot op de datum van betaling. De verwijzende rechter heeft punten I t/m V toegewezen, maar heeft punten VI en VII afgewezen vanwege het verbod op cumulatie van rente.  De bank heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en verzoekt om HD tevens te veroordelen tot betaling van contractuele rente over de periode nadat het krediet onmiddellijke opeisbaar is gesteld, dat wil zeggen boven op de vertragingsrente.

 

Overweging:

De bank heeft onder meer verwezen naar het arrest van het Hof in de gevoegde (Spaanse) zaken C-96/16 en C-94/17, waarin het Hof heeft gewezen op het doel van de rente, namelijk de vergoeding voor de gebruikmaking van een geldsom totdat deze is terugbetaald. Dit arrest heeft tot onduidelijkheid in de uitlegging geleid. Ten opzichte van de Spaanse rechtsorde hanteert Slowakije een andere rechtsregeling om schuldenaren te bestraffen in het geval van te late betaling van een schuldvordering. Het Slowaakse recht voorziet uitdrukkelijk in een regeling die van toepassing is nadat een schuldvordering opeisbaar is gesteld. Deze regeling voorziet in: 1. vertragingsrente, 2. vergoeding van geleden schade, 3. overige sancties (bijvoorbeeld contractuele boetes), 4. een limiet van alle sancties tezamen en 5. een verbod om ten nadele van de consument van de wettelijke regeling af te wijken. De verwijzende rechter vraagt zich af of het Unierecht zich verzet tegen de Slowaakse wettelijke regeling.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet richtlijn 93/13[/EEG van de Raad van 5 april 1993] betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, in het bijzonder artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, gelezen in samenhang met de uitlegging ervan in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-96/16 en C-94/17, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling als de beschermende kaderbepaling van § 54, lid 1, van de Občiansky zákonník (burgerlijk wetboek, die eraan in de weg staat dat bij overeenkomst ten nadele van de consument wordt afgeweken van de wettelijke regeling, die, in het geval dat de consument in verzuim is bij de terugbetaling van een krediet, in de hiernavolgende rechten van de kredietgever voorziet:

–          het recht van de kredietgever op vertragingsrente, waarvan het bedrag wordt beperkt bij  regeringsbesluit;

–          het recht van de kredietgever op overige sancties, die door de kredietgever aan de consument kunnen worden opgelegd maar die in combinatie met de vertragingsrente beperkt zijn tot de hoofdsom van het uitstaande krediet;

–          het recht van de kredietgever op schadevergoeding ingeval de door hem geleden schade hoger is dan de vertragingsrente, en wel in onbeperkte mate, in overeenstemming met de daadwerkelijk geleden schade?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: staat het hoge niveau  van consumentenbescherming in de zin van artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 4, lid 2, en artikel 169, lid 1, VWEU eraan in de weg dat de consument uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen wordt verplicht tot betaling van forfaitaire kosten aan de kredietgever in plaats van het equivalent van de daadwerkelijk door de kredietgever geleden schade, ook al is de werkelijke schade lager dan de forfaitaire kosten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-96/16 en C-94/17;

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN