C-196/22 Regione Lombardia et Provincia di Pavia

Contentverzamelaar

C-196/22 Regione Lombardia et Provincia di Pavia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    1 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    18 juli 2022

Trefwoorden: landbouwgrond, voortijdige houtkap, steunregeling

Onderwerp:

•            Verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw

•            Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

Feiten:

Bij beslissing van 09-11-2015 heeft de Corte d’appello di Milano de beroepen van de Regione Lombardia en de Provincia di Pavia toegewezen en het bestreden vonnis in eerste aanleg vernietigd waarbij op verzoek van IB, aan wie de in EG-verordening 2080 vastgestelde steun voor de bebossing van landbouwgrond reeds was toegekend en in het kader waarvan hij het aanzienlijk bedrag van 1 324 246,35 EUR had ontvangen, de vordering van de Provincia di Pavia, na daartoe te zijn gedelegeerd door de Regione Lombardia, ongegrond was verklaard. Nadat de Provincia di Pavia in 2009 tijdens een controle ter plaatse had vastgesteld dat de oppervlakte van oorspronkelijk 104 hectaren waarop IB met communautaire bijdragen bos had aangeplant, was gereduceerd tot iets meer dan 70 hectaren omdat de aanwezige beplantingen voortijdig waren gekapt, had zij op grond van de toepasselijke uitvoeringsbepalingen van het ministerieel besluit nr. 494/1998 besloten dat IB niet langer in aanmerking kwam voor steun en hem verzocht om restitutie van de steun. De territoriaal bevoegde rechter in tweede aanleg heeft verwezen naar het onderscheid dat volgens de genoemde bepaling van het voormelde besluit met betrekking tot de beëindiging van de steun moet worden gemaakt tussen ernstige onregelmatigheden en gewone onregelmatigheden en geoordeeld dat de aan IB in casu verweten onregelmatigheid ongetwijfeld ernstig was, daar hij de doelstelling van de communautaire regeling duidelijk heeft geschonden en zich met zowel de steun als de opbrengst van de verkoop van het hout wederrechtelijk had verrijkt, en derhalve bevestigd dat er sprake was van „een situatie die de verplichting tot volledige terugbetaling van de ontvangen premies zonder meer rechtvaardigt, behalve in gevallen van overmacht en wanneer er sprake is van andere gronden waarop de begunstigde geen invloed heeft en die in de regeling zijn opgenomen als gevallen waarin de premies niet worden verloren”. IB heeft tegen de vernietiging van die beslissing cassatieberoep ingesteld

Overweging:

Het eerste middel van het cassatieberoep is ontleend aan de „onjuiste toepassing van de regeling inzake de betaling van premies voor de bebossing van landbouwgronden krachtens verordening 2080/92. Samengevat betoogt verzoeker tot cassatie dat de uitlegging door de Corte d’appello van de betrokken bepalingen niet alleen voorbijgaat aan de algemene regeling en de beginselen van EG-verordening 2988, maar door te bevestigen dat het ten nadele van IB vastgestelde besluit houdende verlies van steun en tot terugvordering van het volledige bedrag van de door IB ontvangen premies rechtmatig is, ook blijk geeft van een onjuiste toepassing van het afgeleide recht door een begrip „verlies” te hanteren dat niet overeenstemt met het daarin gehanteerde begrip door de situatie van „voortijdige houtkap” gelijk te stellen met de in het kader van de controle ter plaatse vastgestelde vermindering van de beboste oppervlakte met minder dan 20 % ten opzichte van de bij de beoordeling vastgestelde oppervlakte. Dit is in strijd met artikel 12 van de wetsbepalingen in het algemeen en gaat voorbij aan de betekenis van het bijwoord „indebitamente” („wederrechtelijk”) in artikel 15, lid 1, van ministerieel besluit nr. 494/1998, dat erop lijkt te wijzen dat alleen onrechtmatig ontvangen steun moet worden terugbetaald. Het tweede middel van het cassatieberoep is gebaseerd op „schending en onjuiste toepassing van de artikelen 14 en 15 van ministerieel besluit nr. 494/1998, gelezen in samenhang met verordening 2080/92 en verordening 2988/95”. Samengevat betoogt verzoeker tot cassatie dat de uitlegging door de Corte d’appello di Milano van de betrokken bepalingen volledig voorbijgaat aan het bijwoord „wederrechtelijk” in artikel 15, lid 1, van ministerieel besluit nr. 494/1998 op grond waarvan een onderscheid moet worden gemaakt tussen rechtmatig uitgekeerde steun en onrechtmatig ontvangen steun en uitsluitend de laatstgenoemde steun mag worden teruggevorderd. Gelet op met name de in de eerste twee middelen van het cassatieberoep opgeworpen vragen, waaruit blijkt dat er, mede wegens het ontbreken van precedenten ter zake, een probleem van coördinatie bestaat tussen de nationale regeling en de primaire wetgeving van het Unierecht en dat deze regeling derhalve moet worden uitgelegd in overeenstemming met de supranationale referentienormen, is de verwijzende rechter van oordeel dat het Hof moet worden verzocht om een prejudiciële beslissing.

Prejudiciële vragen:

1) Staat verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, die evenwel geen regeling inzake de beëindiging van steun of een sanctieregeling bevat, mede gelet op verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, in de weg aan de toepassing van een bepaling van nationaal recht die ter uitvoering van verordening nr. 2080/92 voorschrijft dat in geval van geconstateerde onregelmatigheid bij de verlening van de steun, de steun wordt beëindigd en de ontvangen steun wordt terugbetaald?

2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: staat verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, mede gelet op verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 en het billijkheidsvereiste en het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in de [tiende] overweging van deze verordening, in de weg aan de toepassing van een bepaling van nationaal recht die ter uitvoering van verordening nr. 2080/92 voorschrijft dat in geval van geconstateerde onregelmatigheid bij de verlening van de steun, de steun wordt beëindigd en de ontvangen steun wordt terugbetaald wanneer de beboste of verbeterde oppervlakte 20 % kleiner is dan die waarvoor de steun is toegekend en betaald?

3) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: staat verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, mede gelet op verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995, in de weg aan de toepassing met terugwerkende kracht van een bepaling van nationaal recht die ter uitvoering van verordening nr. 2080/92 voorschrijft dat in geval van geconstateerde onregelmatigheid bij de verlening van de steun, de steun wordt beëindigd en de ontvangen steun wordt terugbetaald?

4) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: staat verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, mede gelet op verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995, eraan in de weg dat een bepaling van nationaal recht die ter uitvoering van verordening nr. 2080/92 voorschrijft dat in geval van geconstateerde onregelmatigheid bij de verlening van de steun, de steun wordt beëindigd en de ontvangen steun wordt terugbetaald, aldus wordt uitgelegd dat de begunstigde de ontvangen steun in zijn geheel moet terugbetalen, en niet alleen de steun die betrekking heeft op het jaar waarin de onregelmatigheid bij de verlening van de steun is vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV, EZK