C-200/22 Vantage Logistics 

Contentverzamelaar

C-200/22 Vantage Logistics 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juni 2022

Trefwoorden : insolventie, reorganisatieplan, schuldeisers, meerderheidsvereiste

Onderwerp :

Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132

Feiten:

Het voorwerp van de zaak betreft de bevestiging van het reorganisatieplan dat door de schuldenaar Nedo Auto Service SRL is voorgesteld onder de voorwaarden van artikel 139, lid 1, onder C, de wet nr. 85/2014 betreffende procedures ter voorkoming van insolventie en betreffende insolventieprocedures. Bij beschikking van de gedelegeerde rechter in de onderhavige zaak werd het verzoek van de schuldenaar Nedo Auto Service SRL toegewezen, werd een algemene insolventieprocedure tegen laatstgenoemde gelast en werd CH Insolvency IPURL als bewindvoerder aangesteld. Op 14-10-2020 heeft de schuldenaar via de bewindvoerder het bedrijfsreorganisatieplan ingediend, dat gericht was op herstructurering en efficiënte voortzetting van de bedrijfsactiviteit teneinde de passiva van de schuldplichtige vennootschap te dekken. Tijdens de bijeenkomst van de schuldeisersvergadering is het door de schuldenaar voorgestelde reorganisatieplan aanvaard overeenkomstig artikel 139, lid 1, onder C, van wet nr. 85/2014. Bij vonnis is vastgesteld dat er 4 categorieën vorderingen zijn opgenomen in de boedel (vorderingen waarop voorkeursrechten van toepassing zijn – 26,0222 % van de totale vorderingen, vorderingen die voortvloeien uit arbeidsverhoudingen –1,4488 % van de totale vorderingen, financiële vorderingen – 6,8987 % van de totale vorderingen, en concurrente vorderingen – 65,6304 % van de totale vorderingen), dat 3 van de 4 categorieën vorderingen (34,3697 % van de totale vorderingen) voor het reorganisatieplan hebben gestemd, en dat schuldeisers die ten minste 30 % van de totale waarde van de vorderingen vertegenwoordigen het plan hebben aanvaard. De gedelegeerde rechter heeft het reorganisatieplan bevestigd. De schuldeiser Vantage Logistics SRL heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat het herstructureringsplan overeenkomstig richtlijn 2019/1023 door de betrokken partijen wordt goedgekeurd mits daarvoor in elke categorie een meerderheid in het bedrag van hun vorderingen of belangen bestaat. Ingevolge artikel 139, lid 1, onder C, van wet nr. 85/2014 stellen de wetgever en de nationale regeling echter  quorum- en meerderheidsvereisten vast die niet in overeenstemming zijn met het door de Unieregel opgelegde beginsel van meerderheid in elke categorie vorderingen.

Overweging:

De aan de orde zijnde bepalingen zijn die van artikel 139, lid 1, onder C, van wet nr. 85/2014 betreffende procedures ter preventie van insolventie en betreffende insolventieprocedures, volgens hetwelk „ het plan wordt bevestigd onder de volgende voorwaarden: wanneer er twee of vier categorieën zijn, wordt het plan geacht te zijn aanvaard indien ten minste de helft van het aantal categorieën voor het plan stemt, mits het plan wordt aanvaard door een van de benadeelde categorieën en door schuldeisers die ten minste 30 % van de totale waarde van de vorderingen vertegenwoordigen”. Artikel 9, lid 6, van richtlijn 2019/1023, inzake de goedkeuring van het herstructureringsplan, bepaalt dat de lidstaten de vereiste meerderheden voor de goedkeuring van een herstructureringsplan vaststellen. Deze meerderheden bedragen niet meer dan 75 % van het bedrag in vorderingen of belangen in elke categorie of, indien van toepassing, van het aantal betrokken partijen in elke categorie. De vraag rijst dus of artikel 139, lid 1, onder C, van wet nr. 85/2014 quorum- en meerderheidsvereisten bevat die niet in overeenstemming zijn met het door de Unieregel opgelegde beginsel van meerderheid in elke categorie vorderingen, oftewel of er sprake is van een kennelijke tegenstrijdigheid tussen de nationale regeling en de regeling van de Unie, hetgeen kan leiden tot niet-toegestane beperkingen van het recht van concurrente schuldeisers op eigendom van geldsommen in de boedel.

Prejudiciële vraag:

Kunnen het Unierecht, het beginsel van eerbiediging en bescherming van het recht op privé-eigendom dat voortvloeit uit artikel 17 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie], het beginsel van voorrang van het Unierecht boven het nationaal recht en met name de eerste zin van artikel 9, lid 6, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie), aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is [artikel 139, lid 1, onder C, van wet nr. 85/2014], op grond waarvan in het kader van een insolventieprocedure kan worden aangenomen dat het reorganisatie- /herstructureringsplan is aanvaard indien, wanneer er twee of vier categorieën vorderingen zijn, ten minste de helft van het aantal categorieën voor het plan stemt, mits het plan wordt aanvaard door een van de benadeelde categorieën en door schuldeisers die ten minste 30 % van de totale waarde van de vorderingen vertegenwoordigen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV