C-201/22 Telia Finland

Contentverzamelaar

C-201/22 Telia Finland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    11 juli 2022

Trefwoorden: auteursrecht, collectieve beheerorganisatie, procesbevoegdheid

Onderwerp:

-             Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

-             Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt

Feiten:

De geregistreerde vereniging Kopiosto r.y. (Kopiosto) is een collectieve beheerorganisatie die houders van auteursrechten vertegenwoordigt in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2014/26 en die door het ministerie van Onderwijs en Cultuur is erkend als organisatie belast met de toekenning van contactuele licenties om met gebruikers van werken overeenkomsten te sluiten over onder meer de doorgifte van een werk dat is opgenomen in een radio- of televisieuitzending. Kopiosto beheert en verleent licenties voor talrijke auteurs, mede op grond van volmachten die de auteurs haar hebben verleend. De naamloze vennootschap Telia Finland Oyj (Telia) exploiteert een kabeltelevisienet waarin de signalen van binnenlandse vrij toegankelijke televisiezenders worden doorgegeven voor openbare ontvangst. Telia heeft voor haar handelingen geen contractuele licentie van Kopiosto verkregen. In de onderhavige zaak vraagt Kopiosto de Korkein oikeus in eigen naam vast te stellen dat Telia inbreuk maakt op de auteursrechten van de door Kopiosto vertegenwoordigde auteurs, en vordert zij financiële compensatie en schadevergoeding voor de inbreuk. Als grondslag voor haar vordering vraagt Kopiosto vast te stellen dat de handelingen van Telia een heruitzending van televisie-uitzendingen in de zin van § 25h van de auteurswet vormen en dat de heruitzending zonder contractuele licentie een inbreuk vormt op de auteursrechten die Kopiosto in de eerste plaats uitoefent als organisatie belast met de toekenning van contractuele licenties of, in de tweede plaats, op grond van de volmachten die haar door de auteursrechthebbenden zijn verleend. Telia is van mening dat Kopiosto niet bevoegd is om een vordering wegens inbreuk op auteursrechten in te stellen.

Overweging:

Het gaat in deze zaak om de vraag of een organisatie die als zogenoemde collectieve beheerorganisatie op grond van artikel 3, onder a), van richtlijn 2014/26/EU auteursrechthebbenden collectief vertegenwoordigt, moet worden aangemerkt als een organisatie met procesbevoegdheid in de zin van artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48, dat wil zeggen dat zij het recht heeft om in eigen naam een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht in te stellen. In de rechtspraak van het Hof is geen expliciet standpunt ingenomen over het vraagstuk van de procesbevoegdheid. Verder is voor de beoordeling van de zaak van doorslaggevend belang of bij de uitlegging van artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 de inhoud van het rechtstreekse belang in situaties als die in het hoofdgeding in de verschillende lidstaten op uniforme wijze moet worden uitgelegd. Wat verder zou moeten worden uitgelegd is of de door het nationale recht aan een licentieorganisatie opgedragen taak om licenties te verlenen voor bepaalde vormen van gebruik van werken, haar ook een rechtstreeks belang verleent om in eigen naam een vordering wegens inbreuk op een dergelijk auteursrecht in te stellen tegen gebruik van werken zonder een contractuele licentie. In dit verband is evenmin duidelijk welke betekenis bij de uitlegging van de procesbevoegdheid in de zin van artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 moet worden gehecht aan het recht op eigendom in de zin van artikel 17 van het Handvest, met name gelet op het feit dat het een recht van licentieorganisaties is om een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht in te stellen ook namens de auteurs wier werken van rechtswege rechtstreeks vallen binnen de werkingssfeer van de door de organisatie verleende licenties, maar die haar geen volmacht tot beheer of om in rechte op te treden hebben verleend.

Prejudiciële vragen:

1. Wordt ten aanzien van organisaties belast met de toekenning van contractuele licenties, die intellectuele-eigendomsrechten collectief beheren, met de procesbevoegdheid om deze rechten te verdedigen, die een belangrijke voorwaarde voor de procesbevoegdheid overeenkomstig artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 is, uitsluitend verwezen naar de algemene bevoegdheid om in rechte op te treden of is daarvoor een uitdrukkelijk in de nationale wetgeving erkend recht vereist om in eigen naam een vordering ter verdediging van de betrokken rechten in te stellen?

2. Moet, in het kader van de uitlegging op basis van artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48, de uitdrukking „rechtstreeks belang bij de verdediging van de auteursrechten van de rechthebbenden die zij vertegenwoordigt” in alle lidstaten op uniforme wijze worden uitgelegd met betrekking tot het recht van een collectieve beheerorganisatie in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2014/26/EU om in eigen naam een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht in te stellen, wanneer (i) het gebruik van werken aan de orde is waarvoor een organisatie, zoals een in de Tekijänoikeuslaki (Finse auteurswet) bedoelde organisatie belast met de toekenning van contractuele licenties, uitgebreide collectieve licenties mag verlenen die de licentienemer in staat stellen om ook gebruik te maken van werken van auteurs uit die sector, die de organisatie niet hebben gemachtigd om hun rechten te beheren;

(ii) het gebruik van werken aan de orde is waarvoor de auteurs de organisatie bij overeenkomst of bij volmacht hebben gemachtigd om hun rechten te beheren, zonder dat de auteursrechten aan de organisatie zijn overgedragen? [Or. 15]

3. Indien ervan wordt uitgegaan dat de organisatie als organisatie belast met de toekenning van contractuele licenties, een rechtstreeks belang en procesbevoegdheid heeft om in eigen naam een vordering in te stellen: welke betekenis moet bij de beoordeling van de procesbevoegdheid, in voorkomend geval in het licht van de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, worden gegeven aan de omstandigheid dat de organisatie als organisatie belast met de toekenning van contractuele licenties, ook auteurs vertegenwoordigt die haar niet hebben gemachtigd om hun rechten te beheren en dat het recht van de organisatie om een vordering ter verdediging van de rechten van die auteurs in te stellen, niet bij wet is geregeld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: SNB-REACT (C-521/17)

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK