C-212/15 ENEFI

Contentverzamelaar

Terug C-212/15 ENEFI

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   07 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   23 juli 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   23 augustus 2015
Trefwoorden: insolventieprocedure

Onderwerp
Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1)

Verzoekster ENEFI Energiahatekonysagi Nyrt (voorheen E-Star Alternativ Energiaszolgaltato Nyrt) is een in HON gevestigd bedrijf met vaste inrichting in ROE. Zij bevindt zich in de insolventieprocedure. Zij vraagt nietigverklaring van een belastingvordering van verweerster (ROE regionale belastingdienst). Zij stelt dat zij de opgelegde bedragen niet verschuldigd is en dat de tenuitvoerlegging van de executoriale titel naar HON recht onrechtmatig is wegens de sinds december 2012 lopende insolventieprocedure (na bereikt akkoord beëindigd op 06-09-2013), hetgeen verweerster bekend is. Verweerster zou zich niet tijdig op de lijst van schuldeisers hebben laten plaatsen waardoor haar recht om te innen is vervallen. De behandelende Rb verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de districtsRb Targu Mures. Deze rechter oordeelt dat de aanslag door het verstrijken van de termijn een executoriale titel is geworden en dat van nietigverklaring geen sprake kan zijn. Verzoekster gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter. Zij beroept zich mede op Vo. 1346/2000 volgens welke de faillissements- en liquidatieprocedure van rechtswege wordt opgeschort. Zowel de datum vaststelling belastingaanslag als datum afgifte executoriale titel liggen binnen de insolventieperiode. Verzoekster betoogt dat de insolventie zich ook uitstrekt tot de vaste inrichting in ROE die is geregistreerd conform ROE recht, geen rechtspersoonlijkheid heeft, geen eigen vermogen en/of werknemers. Verweerster stelt dat haar vordering betrekking heeft op de vaste inrichting in ROE zodat de omstandigheid dat de HON moeder insolvent is niet relevant is.

De verwijzende ROE rechter (Rb district Mures) stelt vast dat de belastingaanslag na de controle in de periode 5 – 25-06-2013 definitief is geworden aangezien er (naar ROE recht) niet tegen is opgekomen. Op 07-08-2013 is na aanmaning gestart met de gedwongen tenuitvoerlegging, waartegen verzoekster in verzet is gekomen. Volgens de verwijzende rechter is niet aangetoond dat de vordering door verweerster tijdig is ingediend. Naar HON recht zou het akkoord over de insolventie dan niet op verweerster van toepassing zijn. Om over de zaak te beslissen heeft hij verduidelijking nodig van het begrip „gevolgen van de insolventieprocedure die worden beheerst door het recht van de staat waar de procedure is geopend” en legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:
Vraag 1: Voor de uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2, onder f) en k), van verordening nr. 1346/2000 wordt het Hof verzocht te verduidelijken of de gevolgen van de insolventieprocedure die worden beheerst door het recht van de staat waar de insolventieprocedure is geopend, kunnen meebrengen dat het vorderingsrecht van een schuldeiser die niet heeft deelgenomen aan de insolventieprocedure, in een andere lidstaat vervalt of dat de gedwongen tenuitvoerlegging van die vordering in een andere lidstaat wordt opgeschort?
Vraag 2: Is het relevant dat de vordering die in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, gedwongen ten uitvoer wordt gelegd, een belastingvordering is?

Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten