C-213/22 Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas

Contentverzamelaar

C-213/22 Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    23 juli 2022

Trefwoorden: landbouw, bosbouwmaatregelen, jaarlijkse premie, bebossingsdichtheid

Onderwerp:

Verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw

Feiten:

Met het oog op de uitvoering van een investeringsproject hebben verweerster en verzoeker op 04-03-1997 een ,,overeenkomst inzake de toekenning van steun uit hoofde van verordening 2080/92 − bosbouwmaatregelen in de landbouw” gesloten waarbij investeringssteun, een onderhoudspremie en jaarlijkse premies ter compensatie van inkomensverliezen werden toegekend. De verplichtingen van de begunstigde waren om ervoor zorg te dragen dat in het jaar volgend op het jaar van de herbeplanting de herbebossing voldoet aan de bij wet vastgestelde minimumdichtheden. Verzoekster stelt dat als voorwaarde voor de uitbetaling van de premies de verplichting geldt om de minimale dichtheid te handhaven, als waarborg voor de toewijding en de verzorging van het project door de begunstigden, zonder hetwelk elke betaling van premies ongerechtvaardigd zou zijn. Het is onaanvaardbaar een jaarlijkse premie te betalen indien de bebossingsdichtheid lager is dan de wettelijk vastgestelde minimumdichtheid, omdat anders − indien de betalingen zouden worden verricht ongeacht het resultaat − de stimulans zou ontbreken voor de daadwerkelijke totstandbrenging en ontwikkeling van bosbouwprojecten.

Overweging:

De toepassing van de (Europese en nationale) voorschriften betreffende de instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, zoals vastgesteld bij verordening 2080/92, komt hier aan de orde. In de uitspraak in eerste aanleg, alsook de uitspraak waartegen thans cassatie wordt ingesteld, wordt geoordeeld dat voor de betaling van de premies niet vereist is dat de geplande oppervlakte wordt bebost in de bij verordening en overeenkomst vastgestelde dichtheden, maar dat het volstaat dat de begunstigde bewijst dat hij alles in het werk heeft gesteld om de vereiste bebossingsdichtheid te bereiken. In beide gevallen ging het om een middelenverbintenis en niet om een resultaatsverbintenis. Het valt te betwijfelen of een dergelijke uitleg in overeenstemming is met de financiële steunregeling die bij verordening 2080/92 is ingesteld. Indien men er daarentegen van uitgaat dat de verplichting van de begunstigde om aan de dichtheidsvereisten te voldoen dient te worden beschouwd als een resultaatsverbintenis en dat om die reden het niet halen van die doelstellingen, zelfs om redenen buiten zijn wil en ondanks al zijn inspanningen, ertoe leidt dat hij geen recht heeft op de betrokken premies, rijst de vraag of het door de nationale wetgever voorgestelde programma in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Verdere twijfels vloeien voort uit het feit dat met de bij ministeriële beschikking 299/2012 van 01-10-2012 ingevoerde wijzigingen de vereiste minimumdichtheden in het geval van kurkeik zijn verlaagd tot 250 planten per hectare en dat het „alles of niets”-systeem voor de toekenning van de premie is gewijzigd om rekening te houden met het aantal planten dat bestaat in het jaar volgend op het jaar van de herbeplanting.  In 2012 is er sprake van een schijnbare correctie van de juridische oplossing waarvoor het steunprogramma op nationaal niveau heeft gekozen, aangezien het binnen het kader van het financiële programma van verordening 2080/92 blijft. Deze omstandigheid doet derhalve de vraag rijzen of de oplossing die voortvloeit uit de regeling van ministeriële beschikking 199/94, die in casu van toepassing is, kan worden geacht in strijd te zijn met het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van het recht van de Unie.

Prejudiciële vragen:

1. Zijn de kosten voor onderhoud en de premie ter compensatie van inkomensverliezen als bedoeld in artikel 3, onder b) respectievelijk onder c), van verordening nr. 2080/92 van 30 juni 1992 verschuldigd in het geval dat de begunstigde bewijst dat [...] buiten zijn schuld niet is voldaan aan de in het nationale steunprogramma gestelde voorwaarden inzake bebossing en dat hij alles in het werk heeft gesteld om het resultaat te verkrijgen?

2. Is de oplossing die voortvloeit uit de regels voor uitlegging van artikel 7, onder b), van Orden Ministerial (ministeriële beschikking) 199/94, gelezen in samenhang met artikel 26 daarvan, volgens welke ongunstige weersomstandigheden in de jaren volgend op het evaluatiejaar (dat wil zeggen het jaar volgend op het jaar van de herbeplanting) leiden tot gedeeltelijke betaling van de premies, terwijl het intreden van dezelfde resultaten als gevolg van dezelfde ongunstige weersomstandigheden in het jaar volgend op dat van de herbeplanting tot gevolg heeft dat het recht op de premies volledig verloren gaat, verenigbaar met het Unierecht?

3. Moet de oplossing van artikel 7, lid 1, onder b), van Orden Ministerial 199/94, die ertoe leidt dat de begunstigde het recht op premies voor onderhoud en inkomensderving volledig verliest wanneer de in bijlage C vastgestelde bebossingsdichtheid niet wordt bereikt, zonder dat wordt voorzien in een evenredige vermindering van de betaling van die premies wanneer het resultaat kan worden toegeschreven aan externe oorzaken, zoals het klimaat, worden beschouwd als strijdig met het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van Unierecht, zoals (a contrario sensu) lijkt te volgen uit het arrest in zaak C-315/16, (C-315/16, punten 29 en 35)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-315/16)

Specifiek beleidsterrein: LNV