C-22/22 T.  

Contentverzamelaar

C-22/22 T.  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    28 april 2022

Trefwoorden : audiovisuele mediadiensten, reclame, gelijkheid voor de wet

Onderwerp :

Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten

Feiten:

Op 02-10-2016 heeft televisieomroeporganisatie T S.A. (verzoekster) een door haar uitgezonden kinderprogramma onderbroken voor reclamedoeleinden. Daardoor heeft zij inbreuk gemaakt op het in de omroepwet opgenomen verbod om kinderprogramma’s te onderbreken voor het uitzenden van reclame of telewinkelprogramma’s. Voor deze overtreding heeft de verweerder bij besluit van 14-09-2017 aan verzoekster een geldboete van 10 000,00 PLN opgelegd. Het door verzoekster tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechters in eerste en tweede aanleg afgewezen. Verzoekster heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechter in tweede aanleg. Verzoekster betoogt dat de bepalingen betreffende de beperkingen inzake het uitzenden van reclame in het kader van audiovisuele mediadiensten op aanvraag in het Poolse recht niet aldus zijn geregeld dat is voldaan aan de voorwaarde van gelijkheid voor de wet. Overeenkomstig de omroepwet is het verbod op het onderbreken van kinderprogramma’s voor reclamedoeleinden namelijk niet van toepassing op audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Ondernemingen die in concurrentie met televisieomroeporganisaties op een soortgelijke of dezelfde markt diensten op aanvraag aanbieden worden derhalve niet beperkt in hun mogelijkheden om kinderprogramma’s voor reclamedoeleinden te onderbreken. Dit verbod geldt alleen voor televisieomroeporganisaties. Volgens verzoekster is een dergelijke differentiatie tussen aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag en televisieomroeporganisaties ten nadele van laatstgenoemden onverenigbaar met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet.

Overweging:

Door een algeheel verbod op het onderbreken van kinderprogramma’s voor reclamedoeleinden in te stellen heeft de nationale wetgever gebruikgemaakt van de door artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13/EU geboden mogelijkheid om van de onder zijn bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd. Ingevolge artikel 4, lid 1, in fine, van deze richtlijn staat het de lidstaten vrij dit te doen, op voorwaarde dat deze regels stroken met het recht van de Unie. Voor aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag gold dit algehele verbod op het onderbreken van kinderprogramma’s voor reclamedoeleinden niet. In het licht van het voorgaande rijst de vraag of een dergelijke regeling van de situatie van aanbieders van lineaire audiovisuele mediadiensten en aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag, waarbij laatstgenoemden kinderprogramma’s mogen onderbreken voor reclamedoeleinden, in overeenstemming is met het Unierecht, en met name met het beginsel van gelijkheid voor de wet.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 20, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) en de artikelen 11 en 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die alleen televisieomroeporganisaties verbiedt om tijdens hun kinderprogramma’s reclame uit te zenden, terwijl dit

verbod niet geldt voor aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: OCW