C-226/22 Nexive Commerce e.a.

Contentverzamelaar

C-226/22 Nexive Commerce e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    16 juli 2022

Trefwoorden: koeriersdiensten, interne markt,  evenredigheids- en non-discriminatiebeginsel

Onderwerp:

Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap

Feiten:

De AGCOM heeft besluiten vastgesteld waarbij zij de hoogte en de voorwaarden heeft bepaald van een bijdrage die particuliere exploitanten in de sector van de postdiensten haar verschuldigd zijn voor respectievelijk 2017, 2018 en 2020. In deze besluiten is vastgesteld dat zowel aanbieders van de universele dienst als andere particuliere exploitanten van postdiensten die in het bezit zijn van een vergunning, tot de betaling van die bijdrage verplicht zijn. Daarnaast is de hoogte van de betrokken bijdrage daarin aldus vastgesteld dat de kosten voor de regelgevingswerkzaamheden van de AGCOM met betrekking tot de postmarkt volledig door de bijdrage van de particuliere exploitanten kunnen worden gedekt, zonder publieke medefinanciering. Bij het vaststellen van de hoogte van die kosten zijn echter niet alleen de werkzaamheden die rechtstreeks betrekking hebben op het reguleren van de postmarkt in aanmerking genomen, maar ook de gemeenschappelijke voorzieningen voor de verschillende afdelingen waaruit de AGCOM bestaat, zoals het gebruik van de gebouwen en secretariaatswerkzaamheden. Meerdere particuliere exploitanten die expres- en koeriersdiensten verrichten die niet onder de universele dienst vallen, zijn tegen deze besluiten opgekomen bij de TAR. Volgens verzoeksters voorziet artikel 9, lid 2, van richtlijn 97/67 in een vorm van publieke medefinanciering van de bedrijfskosten van de NRI en sluit deze bepaling uit dat alle kosten voor rekening van de betrokken markt komen. Daarnaast betogen verzoeksters dat artikel 9, lid 2, van richtlijn 97/67 uitsluitend betrekking heeft op de rechtstreekse bedrijfskosten, die nauw samenhangen met het reguleren van de postdiensten die onder de universele dienst vallen, en dat de indirecte kosten, zoals die betreffende de gebouwen en het secretariaat, daarvan uitgesloten zijn. Tot slot voeren verzoeksters aan dat ook het opleggen van de bijdrageverplichting aan alle vergunninghouders in strijd is met artikel 9, lid 2, van richtlijn 97/67, aangezien geen rekening is gehouden met hun inkomsten, noch met de marktsituatie, noch met het feit dat een onderneming diensten kan verrichten die volstrekt geen regelgeving vereisen.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of de nationale regeling inzake de NRI en de financiering daarvan verenigbaar is met het Unierecht. De verwijzende rechter merkt ten eerste op dat uit de rechtspraak van het Hof duidelijk blijkt dat artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, van richtlijn 97/67 niet in de weg staat aan een nationale regeling als de Italiaanse, die de verplichting bij te dragen aan de financiering van de NRI voor de postsector oplegt aan alle aanbieders van de postsector, ook die welke geen onder de universele dienst vallende diensten verrichten. De verwijzende rechter is echter van mening dat uit de rechtspraak van het Hof  o.a. niet duidelijk blijkt of artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, van richtlijn 97/67 rechtvaardigt dat de operationele kosten van de NRI volledig door de aanbieders van postdiensten worden gefinancierd, zonder enige vorm van publieke deelneming en of het artikel een bijdrageverplichting rechtvaardigt die zonder onderscheid wordt opgelegd aan aanbieders van expres- en koeriersdiensten en aan aanbieders van de universele dienst. De  verwijzende rechter vraagt het Hof om te verduidelijken of het evenredigheids- en non-discriminatiebeginsel in het licht van het bepaalde in artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, van richtlijn 97/67, voorschrijven dat de hoogte van de door de verschillende aanbieders van postdiensten verschuldigde bijdrage wordt bepaald op basis van de omvang van regelgevingswerkzaamheden van de NRI die op hen betrekking hebben. Aanbieders van de universele dienst worden immers aan andere en veel meer regelgevingswerkzaamheden onderworpen dan aanbieders van andere postdiensten.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, en artikel 9, lid 3, alsmede artikel 22 van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als de relevante regeling van Italiaans recht (die is neergelegd in artikel 1, leden 65 en 66, van legge nr. 266 van 23 december 2005, en artikel 65 van decreto legge nr. 50 van 24 april 2017, die met wijzigingen is omgezet bij legge nr. 96 van 21 juni 2017), die toelaat dat de verplichting om financieel bij te dragen aan de bedrijfskosten van de regelgevende instantie voor de postsector uitsluitend wordt opgelegd aan aanbieders in de postsector, met inbegrip van aanbieders die geen onder de universele dienst vallende diensten verrichten, waardoor elke vorm van publieke medefinanciering ten laste van de overheidsbegroting kan worden uitgesloten?

2) Moeten artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, en artikel 22 van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, aldus worden uitgelegd dat bij door de aanbieders van postdiensten te financieren bedrijfskosten ook de kosten worden inbegrepen die moeten worden gemaakt voor regelgevingswerkzaamheden met betrekking tot postdiensten die buiten het toepassingsgebied van de universele dienst vallen, alsmede de kosten voor administratieve en beleidsstructuren (de zogeheten „transversale structuren”) waarvan de activiteiten weliswaar niet rechtstreeks bestemd zijn voor de regulering van de postmarkten, maar hoe dan ook dienstig zijn voor de uitoefening van alle institutionele bevoegdheden van de AGCOM, met als gevolg dat zij indirect en gedeeltelijk (pro quota) voor rekening van de postdienstsector kunnen komen?

3) Staan het evenredigheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel, artikel 9, lid 2, tweede alinea, vierde streepje, en artikel 9, lid 3, alsmede artikel 22 van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, in de weg aan een nationale regeling als de Italiaanse (die is neergelegd in artikel 1, leden 65 en 66, van legge nr. 266 van 23 december 2005, en artikel 65 van decreto legge nr. 50 van 24 april 2017, die met wijzigingen is omgezet bij legge nr. 96 van 21 juni 2017), volgens welke de verplichting om bij te dragen aan de financiering van de regelgevende instantie voor de postsector moet drukken op leveranciers van de postdienst, zonder de mogelijkheid onderscheid te maken tussen de positie van leveranciers van expres- en koeriersdiensten en die van leveranciers van de universele dienst, en dus zonder de mogelijkheid waarde te hechten aan de mate waarin de NRI de verschillende typen postdiensten heeft gereguleerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: DHL Express (Austria) (C-2/15), (C-368/15), (C-259/16 en C-260/16)