C-228/20 I

Contentverzamelaar

C-228/20 I

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 juli 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     8 september 2020

Trefwoorden : Btw-richtlijn, vrijstelling omzetbelasting, particulier ziekenhuis, socialezekerheidsorganen, publiekrechtelijk orgaan

Onderwerp :

-           § 4, nr. 14, onder b), UStG: Overeenkomstig § 4, nr. 14, onder b), UStG, in de sinds 1 januari 2009 geldende versie, zijn de onder § 1, lid 1, nr. 1, UStG vallende handelingen vrijgesteld van belasting

-           108 SGB V Toegelaten ziekenhuizen Ziekenfondsen mogen ziekenhuisverpleging alleen door toegelaten ziekenhuizen laten verrichten

-           § 109 SGB V Sluiten van overeenkomsten met ziekenhuizen

-           artikel 132, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

 

Feiten:

De zaak betreft de vraag of handelingen in verband met de exploitatie van een ziekenhuis krachtens § 4, nr. 14, UStG, respectievelijk artikel 132, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

Verzoekster is een kapitaalvennootschap en verricht ziekenhuisdiensten in de zin van de Duitse federale wet op de zorgtarieven en wet op de ziekenhuisfinanciering. Zij heeft voor haar bedrijfsactiviteiten een overheidsvergunning gekregen. Ze is echter geen planziekenhuis van de deelstaat Neder-Saksen en ook geen publiekrechtelijk lichaam, derhalve bestaan er geen overeenkomsten met de wettelijke of vrijwillige ziekenfondsen. Het gaat hierbij o.a. om patiënten die de kosten voor verpleging zelf vooruit betalen, ambassadepatiënten, particulier verzekerden, Duitse strijdkrachten.

In het kader van een bijzondere omzetbelasting controle is de controleur van de belastingdienst tot de conclusie gekomen dat de handelingen van verzoekster voor het grootste deel niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Alleen de handelingen van krachtens § 108 SGB V toegelaten ziekenhuizen zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Verzoekster is echter geen toegelaten ziekenhuis. Uit artikel 132, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn blijkt hetzelfde. Ziekenhuisverpleging wordt alleen verricht onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn die van publiekrechtelijke lichamen als een aanzienlijk deel van de patiënten recht heeft op vergoeding van de kosten krachtens § 13 SGB V. In casu schommelt het aandeel van deze patiëntgroep rond de 10%.

Verzoekster is van mening dat de aan de orde zijnde handelingen krachtens artikel 132, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld van btw. Ze exploiteert volgens haar een volgens § 30 GewO erkend ziekenhuis, dat ziekenhuisdiensten en medische verzorging verricht als een publiekrechtelijk lichaam.

 

Overweging:

Betreffende de eerste prejudiciële vraag is de verwijzende rechter van mening dat verzoekster geen publiekrechtelijk orgaan is, haar handelingen zijn niet vrijgesteld krachtens § 4, nr. 14, onder b), UStG. Hiernaast is er geen sprake van een belastingvrijstelling krachtens § 4, nr. 14, onder b, onder aa) UStG. De rechter neigt ertoe te oordelen dat § 4, nr. 14, onder b), onder aa), UStG onverenigbaar is met  artikel 132, lid 1, onder b), van de btw richtlijn, omdat daarin de belastingvrijstelling voor de diensten in door ondernemingen geëxploiteerde ziekenhuizen die geen publiekrechtelijke lichamen zijn, afhankelijk wordt gesteld van de behoefte op grond van socialezekerheidsrechtelijke overwegingen. Door de Duitse wet heeft een bijkomend ziekenhuis geen kans op opname in het ziekenhuisplan van zijn deelstaat wanneer er voldoende ziekenhuisbedden ter beschikking staan.

Betreffende de tweede prejudiciële vraag is het volgens de rechter relevant, als verzoekster zich beroept op artikel 132, lid 1, onder b) van de btw-richtlijn, of ziekenhuisverpleging door verzoekster wordt verricht onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden waaronder publiekrechtelijke lichamen deze diensten verrichten. De verwijzende rechter twijfelt of hierbij de rendabiliteit van het ziekenhuis moet worden onderzocht of dat de vraag moet worden beantwoord vanuit het gezichtspunt van de patiënten, waarbij het relevant is of de kosten van het grootste deel van de patiënten worden vergoed door socialezekerheidsorganen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is § 4, nr. 14, onder b), van de Umsatzsteuergesetz (Duitse wet op de omzetbelasting; hierna: „UStG”) verenigbaar met artikel 132, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw-richtlijn”), voor zover als voorwaarde voor de vrijstelling voor ziekenhuizen die geen publiekrechtelijk lichaam zijn, geldt dat deze ziekenhuizen toegelaten ziekenhuizen zijn in de zin van § 108 Sozialgesetzbuch V (vijfde socialezekerheidswetboek; hierna: „SGB V”)? [Or. 2]

2. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord: onder welke „sociale voorwaarden” is ziekenhuisverpleging door particuliere ziekenhuizen „vergelijkbaar” met ziekenhuisverpleging door publiekrechtelijke lichamen, in de zin van artikel 132, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: “CopyGene” C-626/08

Specifiek beleidsterrein: FIN, VWS