C-229/20 „K“ EOOD

Contentverzamelaar

C-229/20 „K“ EOOD

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 juli 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     8 september 2020

Trefwoorden : consumentkredietovereenkomst; nevendiensten; berekening van het jaarlijkse kostenpercentage; oneerlijk beding; richtlijn 2008/48/EG; richtlijn 93/13/EEG;

Onderwerp :

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

 

Feiten:

P en de niet-bancaire financiële instelling ‘K’ EOOD hebben een consumentenkredietovereenkomst gesloten. Naast de kredietovereenkomst is nog een overeenkomst gesloten, waarbij P tegen betaling recht heeft op een pakket van vijf nevendiensten (waaronder de mogelijkheden tot uitstel van betaling, of vermindering van een bepaald aantal aflossingstermijnen). Volgens deze overeenkomst aangaande nevendiensten vormt zij geen voorwaarde voor de sluiting van de kredietovereenkomst, noch voor verlening van het krediet tegen de aangeboden voorwaarden. De algemene voorwaarden van verweerster bepalen dat P slechts onder bepaalde voorwaarden gebruik kan maken van de nevendiensten waar hij voor betaalt. Ook is hij voor het pakket nevendiensten betaling verschuldigd ongeacht of hij een beroep doet op deze nevendiensten. Bij de verwijzende rechter betoogt P dat de kredietovereenkomst in zijn geheel nietig is omdat verschillende clausules dwingende wettelijke bepalingen schenden of oneerlijk zijn. Daarnaast voert hij aan dat de clausules betreffende de betaling voor het pakket nevendiensten oneerlijk zijn, omdat hij verplicht is te betalen voor een ‘dienst’ waar hij in werkelijkheid mogelijk geen gebruik van zal maken. Gebleken is overigens ook dat het jaarlijkse kostenpercentage op basis van de verplichtingen uit de hoofdkredietovereenkomst 49,89% is. Wanneer de prijs van het pakket nevendiensten wordt meegerekend komt het jaarlijks kostenpercentage uit op 216,05%. 

 

Overweging:

De verwijzende rechter wil allereerst van het Hof weten of de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage vergoedingen voor nevendiensten moet omvatten. Zelf vindt de verwijzende rechter dat dit het geval moet zijn, omdat dit de consument beter in staat zou stellen om te kiezen tussen kredietproducten. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of een onnauwkeurige vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage gelijk moet worden gesteld aan een ontbrekende vermelding van dat kostenpercentage, en of het nationale recht in het geval van onduidelijke vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in een passende sanctie voorziet. Verder wil de verwijzende rechter weten of de genoemde nevendiensten in de omstandigheden van deze zaak een dwingende voorwaarde vormen om het krediet überhaupt te verlenen en of de ‘verlening van het krediet uit het gebruik’ van deze nevendiensten voortvloeit. Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich nog af of de vergoeding voor de nevendiensten moet worden gezien als onderdeel van het eigenlijke voorwerp van de kredietovereenkomst.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de vergoedingen voor nevendiensten, die bij een consumentenkredietovereenkomst zijn overeengekomen, zoals de  vergoedingen voor de mogelijkheid tot uitstel van betaling en van vermindering van termijnen, deel uitmaken van het jaarlijks kostenpercentage voor het krediet?

2. Moet artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de onjuiste vermelding van het jaarlijks kostenpercentage in een kredietovereenkomst tussen een ondernemer en een consument als kredietnemer, moet worden beschouwd als ontbrekende vermelding van het jaarlijks

kostenpercentage in de kredietovereenkomst en de nationale rechter de in het nationale recht  vastgestelde rechtsgevolgen moet toepassen voor de ontbrekende vermelding van het jaarlijks  kostenpercentage in een consumentenkredietovereenkomst?

3. Moet artikel 22, lid 4, van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat een in het nationale recht vastgestelde sanctie in de vorm van de nietigheid van de consumentenkredietovereenkomst, volgens welke alleen de verleende hoofdsom moet worden terugbetaald, evenredig is wanneer het jaarlijks kostenpercentage niet nauwkeurig is vermeld in de consumentenkredietovereenkomst?

4. Moet artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat de vergoedingen voor een pakket nevendiensten, waarin is voorzien in een afzonderlijke aanvullende overeenkomst bij een consumentenkredietovereenkomst als hoofdovereenkomst, moeten worden beschouwd als onderdeel van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en derhalve geen voorwerp kunnen zijn van de toetsing van de oneerlijkheid?

5. Los van het antwoord op de derde prejudiciële vraag: moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG juncto punt 1, onder o), van de bijlage bij de richtlijn, aldus worden uitgelegd dat een clausule in een overeenkomst aangaande nevendiensten bij een consumentenkrediet oneerlijk is, wanneer de consument daarin de abstracte mogelijkheid wordt geboden zijn betalingen uit te stellen en anders te plannen en hij ook vergoedingen moet betalen wanneer hij geen gebruik maakt van deze mogelijkheid?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-448/17 EOS KSI Slovensko; C-42/15 Home Credit Slovakia;

Specifiek beleidsterrein: EZK