C-232/20 Daimler

Contentverzamelaar

C-232/20 Daimler

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 juli 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     13 september 2020

Trefwoorden : arbeidsrecht; uitzendarbeid;

Onderwerp :

Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (hierna: uitzendrichtlijn);

 

Feiten:

Verzoeker was sinds 01-09-2014 werkzaam bij uitzendbureau I en zij hadden afgesproken dat verzoeker zijn werkzaamheden als metaalbewerker diende te verrichten bij D (verweerster). Verzoeker was van 01-09-2014 t/m 31-05-2019 uitsluitend ter beschikking gesteld aan verweerster als inlenende onderneming. Er was geen sprake van plaatsvervanging. Deze periode werd onderbroken voor twee maanden wegens ouderschapsverlof. Verzoeker stelt dat de terbeschikkingstelling aan verweerster langer heeft geduurd dan één jaar, en dat zij daarom niet meer als “tijdelijk” kan worden aangemerkt. Dit en met name de peildatumregeling in §19(2) AÜG (Duitse wet; terbeschikkingstelling van werknemers) maakt volgens verzoeker inbreuk op het Unierecht. Verweerster voert aan dat de wetgever het criterium “tijdelijk” sinds 01-04-2017 heeft verduidelijkt. Volgens de wettelijke regeling is het toegestaan om in een CAO op te nemen dat in een bedrijfsakkoord nadere regelingen worden getroffen. De Gesamtbetriebsvereinbarung van 20-09-2017 bevat dergelijke regelingen, aldus verweerster. De daarin vastgestelde maximale duur van 36 maanden is niet overschreden, aangezien alleen de tijdvakken vanaf 01-04-2017 in aanmerking moeten worden genomen. De rechter in eerste aanleg verwierp het beroep van verzoekster, waarop verzoekster hoger beroep heeft ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter gaat er bij de eerste vraag van uit dat de in artikel 1 van de uitzendrichtlijn bedoelde terbeschikkingstelling van een uitzendkracht alleen toelaatbaar is als zij van tijdelijke aard is. In de uitzendrichtlijn wordt het begrip “tijdelijk” niet nader gedefinieerd. Beslissingen van het Hof inzake de uitlegging van dit kenmerk ontbreken tot dusver. Bij 3.1 betreft het de vraag of uit het Unierecht zelf kan worden afgeleid dat er bij wijze van sanctie een dienstverband met de inlenende onderneming tot stand komt? Vraag 3.2 heeft betrekking op de Duitse regeling die voor het eerst per 01-04-2017 principieel een termijn van 18 maanden voorschrijft als maximale duur van terbeschikkingstelling. Ten slotte rijst de vraag of de nationale wetgever bevoegd is om een maximale duur van terbeschikkingstelling vast te stellen, waarvan kan worden afgeweken door de partijen bij een CAO.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht aan een inlenende onderneming reeds dan niet meer als ,tijdelijk’ in de zin van artikel 1 van de uitzendrichtlijn te worden beschouwd wanneer de arbeid wordt verricht in een functie die permanent voorhanden is en die niet wordt uitgeoefend om iemand te vervangen?

2) Dient de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht die korter duurt dan 55 maanden, niet meer als ,tijdelijk’ in de zin van artikel 1 van de uitzendrichtlijn te worden beschouwd?

3) Indien de eerste en/of de tweede vraag bevestigend wordt/worden beantwoord, rijzen de volgende aanvullende vragen:

3.1) Heeft de uitzendkracht recht op de totstandbrenging van een dienstverband met de inlenende onderneming, ook al voorzag het nationale recht vóór 1 april 2017 niet in een dergelijke sanctie?

3.2) Is een nationale bepaling als § 19, lid 2, Arbeitnehmerüberlassungsgesetz (wet op de terbeschikkingstelling van werknemers) in strijd met artikel 1 van de uitzendrichtlijn omdat bij die nationale bepaling voor het eerst vanaf 1 april 2017 een maximale duur van de individuele terbeschikkingstelling van 18 maanden wordt voorgeschreven maar eerdere tijdvakken van terbeschikkingstelling uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen, wanneer de  terbeschikkingstelling niet meer als tijdelijk zou behoren te worden aangemerkt indien die tijdvakken wel in aanmerking waren genomen?

3.3) Kan de verlenging van de maximale duur van de individuele terbeschikkingstelling worden overgelaten aan de partijen bij een collectieve arbeidsovereenkomst? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt dit dan eveneens voor partijen bij een collectieve arbeidsovereenkomst die niet bevoegd zijn voor het dienstverband van de betrokken uitzendkracht, maar wel voor de bedrijfstak van de inlenende onderneming?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: SZW