C-233/15 Oniors Bio

Contentverzamelaar

Terug C-233/15 Oniors Bio

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   16 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   02 augustus 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   02 september 2015
Trefwoorden: douane-indeling; Gecombineerde Nomenclatuur (GN)

Onderwerp
Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

Verzoekster heeft in maart 2012 bij de douane twee maal (dezelfde) uit Wit-Rusland afkomstige goederen aangegeven voor het vrije verkeer. Het gaat om een mengsel van ruwe vloeibare vette plantaardige oliën (88% koolzaadolie en 12% zonnebloemolie, aangegeven onder GN-code 1518 00 31 (= mengsel van ruwe oliën, niet geschikt voor menselijke consumptie). Zij past in beide gevallen op basis van vo. 2454/93 een tarief van 3,2% toe. Na controle besluit verweerster (douaneAut) dat indeling onder GN-post 1517 90 91 moet plaatsvinden ((„margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën, enz) waarvoor een tarief van 9.6% geldt. Verzoekster krijgt een aanvullende rekening gepresenteerd. Zij gaat in bezwaar maar dat wordt afgewezen, waarop zij beroep instelt. Zij stelt dat volgens informatie van de importeur het mengsel niet wordt gebruikt in voeding maar uitsluitend voor technische doeleinden, aangezien bij de vervaardiging ervan technische koolzaadolie wordt gebruikt die 1,2 % tot 1,5 % denaturerende stoffen bevat. Verweerster heeft het kwaliteitscertificaat onderzocht maar dat bevat niet alle (technische) informatie, wel dat het product een ‘technische olie’ is. Verweerster heeft geen rekening gehouden met het advies van het LET Centrum voor certificering waaruit blijkt dat het product ongeschikt is voor consumptie. Verweerster blijft bij haar beroep op het kwaliteitscertificaat en stelt dat de informatie van de fabrikant over het productieproces, als ook de bestemming van de goederen irrelevant is omdat in de stalen geen schadelijke stoffen zijn aangetroffen. Zij wijst erop dat ook voor menselijke consumptie geschikte producten voor technische of industriële doeleinden kunnen worden aangewend (!). De rechter in eerste aanleg verwerpt verzoekers beroep. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende LET rechter (Regionale BestuursRb Riga) verwijst naar arresten van het HvJEU waarin het beslissende criterium voor tariefindeling in in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle in het algemeen worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan. Hij constateert dat in onderhavige zaak geen bewijs is voor frauduleuze praktijken of bedoelingen van fabrikant en/of verzoekster. Hij twijfelt aan de juistheid van de indeling door verweerster gezien de door de fabrikant verstrekte informatie dat het om voor menselijke consumptie ongeschikte mengsels gaat. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Moeten producten waarvoor onderzoek van stalen uit verschillende partijen van de goederen niet aan het licht heeft gebracht dat zij denaturerende of andere schadelijke stoffen bevatten die ze ongeschikt maken voor menselijke consumptie, maar die volgens de informatie van de fabrikant niet als voedingsmiddel (bij de vervaardiging van voedingsmiddelen en in de voedselketen) kunnen worden gebruikt, aangezien de aanwezigheid van schadelijke stoffen in het product wegens de kenmerken van het productieproces niet kan worden uitgesloten, in het algemeen worden ingedeeld onder een van de GN-codes die in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief zijn opgenomen voor niet voor menselijke consumptie geschikte producten, of moeten zij daarentegen in het algemeen worden ingedeeld onder een van GN-codes voor voor menselijke consumptie geschikte producten?
2. Welke criteria zijn, met het oog op de toepassing van de GN-codes in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en met het oog op de indeling van de goederen, bepalend voor de uitlegging van de begrippen „voor menselijke consumptie geschikt product” en „niet voor menselijke consumptie geschikt product”?
3. Kan, met het oog op de toepassing van de GN-codes in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en met het oog op de indeling van de goederen, de bestemming van het product een objectief indelingscriterium vormen?
4. Kan, met het oog op de toepassing van de GN-codes in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en met het oog op de indeling van de goederen, het advies van de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie volgens hetwelk de door appellante geïmporteerde goederen overeenkomstig de levensmiddelenwetgeving van de Europese Unie en van de lidstaten niet kunnen worden gebruikt in de voedselketen, aangezien zij ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, als een criterium voor indeling van de goederen worden gehanteerd bij de uitlegging van het begrip „niet voor menselijke consumptie geschikt product”?
5. Kan, met het oog op de toepassing van de GN-codes in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en met het oog op de indeling van de goederen, de door de fabrikant verstrekte informatie over het technologisch proces volgens hetwelk de goederen worden vervaardigd, waarbij niet kan worden uitgesloten dat het product schadelijke stoffen bevat, als een criterium voor indeling van de goederen worden gehanteerd bij de uitlegging van het begrip „niet voor menselijke consumptie geschikt product”?
6. Welke fysicochemische eigenschappen van de in te delen goederen zijn bepalend voor de juiste uitlegging en toepassing van de GNcodes 1518 00 31 en 1517 90 91 in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief?
7. Dienen goederen met fysicochemische eigenschappen als die waarvan sprake is in de onderhavige zaak in de regel te worden ingedeeld onder GNpost 1518 00 31 van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-380/12 (NL zaak over bleekaarde); C-547/13 Oliver Medical
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten