C-234/20 Sātiņi-S

Contentverzamelaar

C-234/20 Sātiņi-S

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     20 september 2020

Trefwoorden : landbouw; Natura 2000; steun;

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;

-           Bijlage IV bij richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;

 

Feiten:

In de onderhavige zaak wordt betwist of eiseres in aanmerking komt voor betalingen wegens de beperkingen die gelden voor economische activiteiten in veengebieden van het Natura 2000-netwerk.  In 2002 heeft eiseres onroerende zaken verworven; 7,7 hectare aan veengronden. De onroerende zaken bevinden zich in een Natura 2000-gebied. Volgens de nationale bepalingen is het verboden om bosbessenplantages aan te leggen op veengronden in beschermde natuurgebieden. Op 02-02-2017 heeft eiseres bij de dienst voor plattelandssteun (hierna: LAD) een verzoek tot compensatie ingediend wegens het beperken van economische activiteiten op de in Natura 2000-gebied gelegen veengronden. Dit verzoek werd afgewezen; volgens de LAD voorzien de wettelijke bepalingen niet in een compensatie voor het verbod op de aanleg van bosbessenplantages op veengronden. Eiseres heeft zich tot de rechter gewend om een veroordeling tot betaling van compensatie te verkrijgen. De bestuursrechter in tweede aanleg heeft de vordering vervolgens afgewezen. Eiseres heeft een cassatieberoep ingediend en stelt dat de verordening niet voorziet in uitzonderingen voor veengronden.

 

Overweging:

Gelet op het feit dat uit de bepalingen van verordening 1305/2013 niet duidelijk blijkt welke grenzen worden gesteld aan de beoordelingsruimte van de lidstaten wat betreft het opleggen van beperkingen die zien op betalingen in het kader van Natura 2000, vraagt de verwijzende rechter zich af of een lidstaat het recht heeft om: 1) een regeling vast te stellen op grond waarvan veengronden in Natura 2000-gebieden volledig zijn uitgesloten van steun voor dergelijke gebieden, en 2) de toegang tot steun te beperken door te bepalen dat deze voor een bepaald gebied alleen mag worden verleend met betrekking tot beperkingen die aan een specifieke soort economische activiteit worden gesteld.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 30, lid 6, onder a), van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening nr. 1698/2005 van de Raad aldus worden uitgelegd dat veengronden volledig uitgesloten zijn van betalingen in het kader van Natura 2000?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, vallen veengronden dan onder  landbouwgebieden of bosgebieden?

3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 30 van verordening nr.  1305/2013 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat veengronden volledig kan uitsluiten van betalingen in het kader van Natura 2000 en dat dergelijke nationale bepalingen verenigbaar zijn met het compensatiedoel van die betalingen zoals vastgesteld in verordening nr. 1305/2013?

4) Moet artikel 30 van verordening nr. 1305/2013 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de  toekenning van steun voor Natura 2000-gebieden kan beperken en slechts steun kan verlenen wanneer bepaalde economische activiteiten worden beperkt, bijvoorbeeld in bosgebieden alleen voor bosbouwactiviteiten?

5) Moet artikel 30, lid 1, van verordening nr. 1305/2013, gelezen in samenhang met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een persoon onder verwijzing naar zijn voornemen om nieuwe economische activiteiten te gaan verrichten, recht heeft op betalingen in het kader van Natura 2000 indien hij bij het verwerven van de eigendom reeds op de hoogte was van de beperkingen die ten aanzien van die eigendom gelden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-315/16;

Specifiek beleidsterrein: LNV; EZK