C-238-20 Sātiņi-S

Contentverzamelaar

C-238-20 Sātiņi-S

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     21 september 2020

Trefwoorden : Natura 2000; staatssteun; compensatie

Onderwerp :

-           Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand beschermde vogels;

-           Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector;

 

Feiten:

Het beschermde natuurgebied “Sātiņu dīķi” is in 1999 aangewezen als speciale beschermingszone. In 2002 heeft eiseres onroerende zaken in dit beschermde natuurgebied verworven. De vijvers die zich op de eigendom van eiseres bevinden, beslaan 600,7 hectare (van de totale oppervlakte van 687 hectare van de eigendom). In 2005 is deze zone toegevoegd aan een Natura 2000-gebied. In 2017 heeft eiseres een compensatieverzoek ingediend bij de DAP (milieubeschermingsautoriteit) voor de door de aquacultuur geleden verliezen op haar eigendommen. De DAP heeft het verzoek afgewezen omdat eiseres het maximaal toegestane bedrag aan de-minimissteun al had ontvangen (artikel 3(2) van de verordening). Eiseres heeft zich tot de rechter gewend en stelt dat het de-minimisplafond voor staatssteun tot doel heeft dat de interne markt van de EU niet wordt verstoord. De compensatie van verliezen is echter geen voordeel dat door de staat wordt toegekend, maar de vergoeding van de schade die een onderneming lijdt bij de uitvoering van opdrachten van openbaar belang. Zowel in eerste als in tweede aanleg is de vordering afgewezen. Eiseres heeft cassatieberoep ingesteld.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter moet in eerste plaats worden geantwoord op de vraag of de compensatie voor verliezen van ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector die worden veroorzaakt door beschermde vogels en dieren, moet worden aangemerkt als staatssteun. Tot op heden biedt de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de uitlegging en de toepassing van artikel 17 van het Handvest geen duidelijk antwoord op deze vraag. De verwijzende rechter is van oordeel dat de zaak moet worden voorgelegd aan het Hof, zodat duidelijk wordt hoe de regels die zien op staatssteun en op compensatie voor beperkingen die voortvloeien uit de bepalingen van het Unierecht, moeten worden toegepast.

 

Prejudiciële vragen:

1) Verdraagt het zich met het in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op een billijke vergoeding voor het beperken van het recht op eigendom dat de compensatie die door een lidstaat wordt toegekend voor de verliezen die uit hoofde van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand beschermde vogels hebben toegebracht aan aquacultuur in een Natura 2000-gebied, aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk geleden verliezen?

2) Kan de compensatie die door een lidstaat wordt toegekend voor de verliezen die uit hoofde van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand beschermde vogels hebben toegebracht aan aquacultuur in een Natura 2000-gebied, worden aangemerkt als staatssteun in de zin van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie?

3) Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, geldt voor compensatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, het plafond van 30 000 EUR voor het bedrag aan de-minimissteun waarin artikel 3, lid 2, van verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, voorziet?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-399/10 P en C-401/10 P ;

Specifiek beleidsterrein: LNV