C-238/21 Porr Bau

Contentverzamelaar

C-238/21 Porr Bau

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     21 juli 2021

Trefwoorden : afvalstoffen; grond;

Onderwerp :

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;

Feiten:

De Oostenrijkse bestuursrechter in eerste aanleg (hierna: verwijzende rechter) dient een beroep tegen een besluit van het districtsbestuur Graz en omgeving (verweerder) te behandelen. Verzoeker is een bouwbedrijf. Landbouwers hebben het bedrijf opdracht gegeven om hun uitgegraven materiaal te leveren en dit op hun land te verspreiden. Hiermee moest het terrein worden aangepast en moesten de landbouwgrond en dus de opbrengst worden verbeterd. Verweerder heeft in het bestreden besluit in wezen uiteengezet dat er bij het gebruikte materiaal sprake was van een afvalstof in de zin van §2(1) AWG 2002. Het materiaal voldeed volgens haar niet aan de criteria om niet langer als afvalstof te worden beschouwd, omdat de formele criteria als bedoeld in het op artikel 28 van de richtlijn afvalstoffen gebaseerde BAWP (in de versie van 2011) niet in acht waren genomen. Volgens de verwijzende rechter gaat het bij het gebruikte materiaal om niet-verontreinigd uitgegraven materiaal van kwaliteitsklasse A1, de hoogste kwaliteitsklasse voor uitgegraven grond. Dergelijk materiaal is naar Oostenrijks recht geschikt voor terreinaanpassingswerken (zoals in casu wordt beoogd) en het gebruik daarvan is wettelijk toegestaan. De verwijzende rechter wendt zich tot het Hof omdat hij twijfels heeft over het standpunt van verwerende partij en met name over de wijze waarop deze het begrip afvalstof uitlegt.

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt of niet-verontreinigd uitgegraven materiaal van een hoge kwaliteitsklasse überhaupt onder de Unierechtelijke definitie van een afvalstof valt. Volgens artikel 3.1 van de afvalstoffenrichtlijn wordt onder het begrip afvalstof verstaan „elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. Van het derde geval (afvalstof in objectieve zin) kan in casu geen sprake zijn, aangezien het gebruikte materiaal voor bijna alle doeleinden probleemloos kan worden gebruikt. Derhalve zouden enkel het eerste en het tweede geval (afvalstof in subjectieve zin) zich kunnen voordoen. Voor het geval dat het Hof tot de slotsom zou komen dat het gebruikte materiaal een afvalstof is, moet nog worden nagegaan of intussen de einde-afvalfase is ingetreden.

Prejudiciële vragen:

1. Verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 zich tegen een nationale regeling op grond waarvan de einde-afvalfase enkel aanvangt wanneer afvalstoffen, bestaande stoffen of daaruit gewonnen stoffen rechtstreeks worden gebruikt ter vervanging van grondstoffen of uit primaire grondstoffen vervaardigde producten, dan wel wanneer zij zijn voorbereid voor hergebruik?”

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

2. Verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 zich tegen een nationale regeling op grond waarvan de einde-afvalfase bij uitgegraven materiaal pas op zijn vroegst kan aanvangen wanneer dat materiaal wordt gebruikt ter vervanging van grondstoffen of uit primaire grondstoffen vervaardigde producten?”

Voor het geval dat de eerste en/of de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

3. Verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 zich tegen een nationale regeling op grond waarvan de einde-afvalfase bij uitgegraven materiaal niet kan aanvangen wanneer niet of niet volledig is voldaan aan formele criteria (met name registratie- en documentatieverplichtingen) die geen milieurelevante invloed hebben op de uitgevoerde maatregel, hoewel aangetoond is dat het uitgegraven materiaal de grenswaarden (kwaliteitsklasse) voor het beoogde concrete gebruik niet overschrijdt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW