C-239/22 Etat belge et Promo 54

Contentverzamelaar

C-239/22 Etat belge et Promo 54

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    8 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juli 2022

Trefwoorden: BTW, gebouwen, verbouwing, belasting

Onderwerp:

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Feiten:

De vennootschap Groupe Henova, thans Promo 54, heeft in samenwerking met de vennootschap Immo 2020 een bouwproject gerealiseerd waarbij een oude school is verbouwd tot appartementen en kantoren. Hiertoe is tussen de vennootschap Groupe Henova en de vennootschap Immo 2020 allereerst op 06-06-2008 een samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen waarin de vennootschap Immo 2020, eigenaar van het terrein en het oude gebouw, opdracht geeft aan de vennootschap Groupe Henova om de bouwdossiers op te stellen en te evalueren alsmede de voortgang van de bouwwerkzaamheden te controleren, de verschillende ondernemingen te coördineren, te onderhandelen over de handelscontracten, alle onderaannemers bij te staan en te zorgen voor de verkoop van de onroerende goederen. Voor alle kopers geldt dat een aannemingsovereenkomst wordt gesloten tussen hen en de vennootschap Groupe Henova die zich ertoe verbindt de verbouwingswerkzaamheden uit te voeren voor een bedrag van 259 533,52 EUR inclusief btw, oftewel 231 738,50 EUR voor de verbouwing van het appartement exclusief btw van 6 % en 11 480,01 EUR voor de bouw van de garage exclusief btw van 21 %. De Belgische Staat is van mening dat de transactie kunstmatig is opgesplitst om een onrechtmatig fiscaal voordeel te verkrijgen en dat er sprake is, niet van een verkoop van een terrein met bouwval en een verbouwing waarvoor het verlaagde tarief van 6 % geldt, maar van één enkele transactie bestaande in de levering van nieuwe appartementen waarvoor een btw-tarief van 21 % geldt. Het bestreden arrest doet recht aan het standpunt van de Belgische Staat.

Overweging:

In het bestreden arrest staat dat „België artikel 12, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG, dat geen rechtstreekse werking heeft, niet heeft omgezet”. Het arrest vermeldt dat „volgens verzoekster alleen de levering van nieuwe gebouwen, dat wil zeggen die welke nog niet in gebruik zijn genomen, belastbaar is voor de btw” en dat „het begrip ,nieuw gebouw na verbouwing’ enkel van toepassing is op lidstaten die artikel 12, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG hebben omgezet, hetgeen niet het geval is voor België”. In het arrest wordt geoordeeld dat „een dergelijke redenering niet kan worden gevolgd”, aangezien „uit het begrip ,nieuwe’ gebouwen zelf, zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a), van het Wetboek van de btw, volgt dat een oud gebouw ,weer’ nieuw kan worden en voor het eerst in gebruik kan worden genomen, mits er een voldoende ingrijpende verbouwing heeft plaatsgevonden, zodat een omzetting van artikel 12, lid 2, van de richtlijn in dit verband niet nodig is”, met als gevolg dat „een gebouw na het verstrijken van de periode waarin het als nieuw wordt aangemerkt, dit predicaat kan terugkrijgen door middel van een ingrijpende verbouwing”. Aangezien het gaat over de uitlegging van de artikelen 12, leden 1 en 2, en 135, lid 1, punt j), van de richtlijn, dient het Hof een prejudiciële vraag te worden gesteld.

Prejudiciële vraag:

Moeten de artikelen 12, leden 1 en 2, en 135, lid 1, punt j), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat – wanneer de lidstaat heeft nagelaten de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de eerste ingebruikneming op de verbouwing van gebouwen – de levering, na verbouwing, van een gebouw waarvan een eerste ingebruikneming in de zin van artikel 12, lid 1, punt a), of artikel 12, lid 2, derde alinea, van de richtlijn heeft plaatsgevonden vóór de verbouwing, vrijgesteld blijft van de belasting over de toegevoegde waarde?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Don Bosco Onroerend Goed (C-461/08)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal