C-24/22 PR Pet

Contentverzamelaar

C-24/22 PR Pet

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    11 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    25 april 2022

Trefwoorden : gecombineerde nomenclatuur, kattenkrabpalen, meubels

Onderwerp :

-           Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1229/2013 van de Commissie van 28 november 2013 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

-           Uitvoeringsverordening (EU) nr. 350/2014 van de Commissie van 3 april 2014 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

Feiten:

De door eiseres gedreven onderneming houdt zich bezig met de im- en export, en verkoop via groothandel en detailhandel van dierbenodigdheden, waaronder kattenkrabpalen. Eiseres stelt primair dat kattenkrabpalen met toepassing van indelingsregel 1 dienen te worden ingedeeld als meubelen van hoofdstuk 94 in GN-post 9403, onderscheidenlijk 9401. Subsidiair neemt eiseres het standpunt in dat sprake is van een samengesteld werk. Verweerder stelt het volgende. De kattenkrabpalen kunnen niet met toepassing van indelingsregel 1 worden ingedeeld. Van indeling als meubelen in hoofdstuk 94 kan geen sprake zijn, omdat de goederen van andere aard zijn dan de meubelen die van de soort zijn die bestemd is voor het meubileren van woonruimten en andere utilitaire doeleinden. Onvoldoende daartoe is dat de kattenkrabpalen op de grond worden geplaatst. De goederen dienen juist te worden onderscheiden van het meubilair waarmee mensen beogen een voor menselijke bewoning bestemde ruimte in te richten. Het gaat om producten welke worden gebruikt door katten. De indeling van de diverse modellen dient plaats te hebben op basis van het materiaal van de omkleding dat overheersend is, hetgeen ook wordt bevestigd door Uitvoeringsverordeningen 1229/2013 en 350/2014. Dit leidt ertoe dat de grotendeels met sisaltouw, dan wel waterhyacinttouw omwikkelde modellen worden ingedeeld onder Taric code 5609 00 00 00 en de grotendeels van pluche voorziene modellen worden ingedeeld onder Taric code 6307 90 10 00.

Overweging:

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag onder welke post(onderverdeling) van de GN de door eiseres ingevoerde kattenkrabpalen moeten worden ingedeeld, meer specifiek of de kattenkrabpalen kwalificeren als meubelen in de zin van GN-posten 9401 en 9403, dan wel dat deze als zijnde producten die zijn samengesteld uit meer dan één stof, conform indelingsregel 3b, dienen te worden ingedeeld naar het materiaal waaraan zij hun wezenlijke karakter ontlenen of indien, het wezenlijke karakter in de zin van indelingsregel 3b niet kan worden bepaald, conform indelingsregel 3c. De rechtbank stelt voorop dat GN-post 9403 ‘Andere meubelen en delen daarvan’ vermeldt en dat in de toelichting IDR op Hoofdstuk 94 het begrip ‘meubelen’ heel ruim wordt omschreven. Uitgaande van deze omschrijving is verdedigbaar dat de in het geding zijnde kattenkrabpalen kwalificeren als meubelen in de zin van GN-post 9403, onderscheidenlijk 9401. Daarmee zou echter voorbij gegaan worden aan de indelingsverordeningen, waarop weliswaar niet rechtstreeks een beroep is gedaan door verweerder, maar die wel betrekking hebben op voldoende soortgelijke producten en waarin een motivering is gegeven ter zake van de indeling die in deze zaak letterlijk door verweerder is overgenomen. Voor de rechtbank is niet duidelijk op grond waarvan in de verordeningen is opgenomen dat post 9403 ‘producten van een andere aard bevat’, hetgeen noopt tot het stellen van préjudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet GN-post 9403 aldus worden uitgelegd dat kattenkrabpalen, bestaand uit diverse materialen, bestemd om in (woon)ruimten op de vloer te worden geplaatst en daar te blijven, zodat katten erin kunnen klimmen, erop kunnen zitten en liggen en eraan kunnen krabben, niet onder deze GN-post vallen omdat zij van een andere aard zijn als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1229/2013 van de Commissie van 28 november 2013 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 350/2014 van de Commissie van 3 april 2014? Indien sprake is van een andere aard die aan de weg staat aan indeling in GN-post 9403, waarin is deze andere aard dan gelegen?

2. Heeft de beantwoording van vraag 1 consequenties voor de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1229/2013 van de Commissie van 28 november 2013 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 350/2014 van de Commissie van 3 april 2014?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-11/93), (C-382/95), (C 273/09)

Specifiek beleidsterrein: FIN