C-240/15 ISTAT ea

Contentverzamelaar

Terug C-240/15 ISTAT ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijalge rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   10 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   26 juli 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   26 augustus 2015
Trefwoorden: telecommunicatie; positie toezichthouder

Onderwerp
- Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn);
- Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG

Verweerster AGCOM (toezichthouder telecom) heeft beroep ingesteld wegens een ITA wet die de onafhankelijke autoriteiten (waaronder verweerster) onderwerpt aan voorschriften voor overheidsfinanciën, met name die welke bedoeld zijn om overheidsuitgaven te beheersen en te rationaliseren. Zij stelt dat die voorschriften haar beperkt in haar organisatorische en financiële autonomie waardoor haar regelend optreden in de telecomsector minder doeltreffend wordt. Dit levert strijd op met door EURrecht aan de nationale regelgevende instanties toegekende voorrechten. Zij meent dat de wetgever enkel een resultaatsverplichting zou moeten opleggen (zoals ook is gedaan bij de Banca d’Italia) en dat beheersingsmaatregelen hooguit betrekking kunnen hebben op het minderheidsaandeel in de begroting dat door de Staat wordt gefinancierd. De rechter verwerpt het beroep waarop verweerster in hoger beroep gaat bij de ITA RvS.

De verwijzende ITA rechter (RvS) twijfelt zowel over de juiste uitleg van de EU-regelgeving als aan de gegrondheid van verweersters beroep. Verweerster klaagt wel maar bewijst niet dat de litigieuze regeling haar financiële autonomie en onafhankelijkheid schendt. Hij ziet in de regeling nog voldoende operationele marge voor verweerster om haar discretionaire bevoegdheid uit te oefenen. Toekenning van een zelfde status als de Banca d’Italia, en dus een status die afwijkt van andere overheidsdiensten, acht de rechter niet gerechtvaardigd in het licht van de huidige ontwikkeling van nationaal en Unierecht. Ook de stelling dat de maatregelen voor de beheersing van de uitgaven beperkt zouden moeten worden tot enkel dat deel van de begroting dat door de Staat wordt gefinancierd overtuigt de verwijzende rechter niet. Hij leest in RL 2002/20 geen verbod voor de nationale wetgever om een autoriteit als de AGCOM maatregelen ter beheersing en rationalisering van de uitgaven op te leggen. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vraag aan het HvJEU voor:
“Staan de beginselen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid op het gebied van de financiën en de organisatie, die de in artikel [3] van richtlijn 2002/21/EG bedoelde nationale regelgevende instanties toekomen, alsook het in artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG bedoelde beginsel van substantiële zelffinanciering, in de weg aan een nationale regeling (zoals de regeling die in de onderhavige zaak aan de orde is) krachtens welke deze instanties in algemene zin onderworpen zijn aan de bepalingen op het gebied van overheidsfinanciën en inzonderheid aan bijzondere bepalingen betreffende beheersing en rationalisering van de uitgaven van overheidsdiensten?”

Specifiek beleidsterrein: EZ mede FIN

Gerelateerde documenten