C-243/15 Lesoochranárske zoskupenie VLK

Contentverzamelaar

Terug C-243/15 Lesoochranárske zoskupenie VLK

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   21 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   07 augustus 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   07 september 2015
Trefwoorden: Milieubescherming (Natura 2000); Verdrag van Aarhus; toegang tot de rechter

Onderwerp
- Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden;
- Handvest grondrechten artikel 47 (onpartijdig gerecht);
- Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna

Verzoekster is een vereniging naar SLW recht met als doel milieubescherming. Verweerder is het districtsbureau voor milieuzaken van Trencin. Verzoekster krijgt in november 2008 informatie dat er een bestuurlijke procedure wordt ingeleid voor de afgifte van een vergunning voor bouwactiviteiten (bouw omheining ten behoeve van het fokken van herten door Biely Potok, interveniënte in de procedure) in een vogelbeschermingsgebied (CHKO) dat op de Natura 2000-lijst staat als gebied van Europees belang. Zij wenst erkenning als procespartij en schorsing van de procedure om een besluit af te wachten van het SLW MinIenM gezien de gerapporteerde negatieve gevolgen voor het CHKO. Haar verzoek tot toelating wordt afgewezen. waarna verzoekster in beroep gaat bij het regionaal gerecht van Trencin. Zij stelt recht te hebben op toegang tot de procedure op grond van met name het Verdrag van Aarhus. De vergunning wordt in juni 2009 toegewezen. De behandeling bij de rechter wordt geschorst in afwachting van uitspraak in zaak C-240/09 en na hervatting wordt het bestreden besluit vernietigd en de zaak terugverwezen. Dit gaat zo jaren door (vernietigen, terugverwijzen enz; het bestreden vergunningsbesluit is definitief geworden zodat de zaak zonder voorwerp is geraakt en toetsing niet meer mogelijk). De zaak ligt nu voor prejudiciële verwijzing bij de hoogste rechter.

De verwijzende SLW rechter (cassatierechter) gaat ervan uit dat het Unierecht in deze zaak van toepassing is omdat met de vergunningprocedure uitvoering wordt gegeven aan met name de bepalingen van de habitatRL en aan de procedurele voorschriften van artikel 9 van het Aarhusverdrag. De verplichtingen voor de EULS van de communautaire voorschriften zijn onvoldoende nauwkeuring voor directe toepassing. Formele omzetting heeft op 01-05-2010 plaatsgevonden, maar op grond van het beginsel van loyale samenwerking zou toepassing vanaf 17-09-2009 moeten plaatsvinden. Hij memoreert het arrest van het HvJEU in C-240/09 waarin geen rechtstreekse werking van artikel 9, lid 3 van het Aarhusverdrag is aanvaard, maar wel dat de rechters verplicht zijn de doelstellingen van het Verdrag zoveel mogelijk te waarborgen, met name wat de gerechtelijke procedures betreft. In arrest C-182/10 oordeelde het HvJEU dat het niet uitgesloten is dat (met name voor uitleg van het billijkheidscriterium) de Toepassingsgids Aarhusverdrag van toepassing is. Hij wijst daarbij ook op artikel 8 Universele verklaring. De cassatierechter zal antwoord moeten geven op de vraag of aan het billijkheidscriterium is voldaan in deze twee parallel lopende procedures: de snelheid van de vergunningsprocedure tegenover het bepalen van de procedurele rechten van verzoekster zonder daarvoor de eerstgenoemde procedure te onderbreken. Met als gevolg dat de uitspraak in de procedure over het gewraakte besluit definitief en niet meer aanvechtbaar is. Omdat hij twijfelt aan de juistheid van de gang van zaken legt hij de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Kunnen in het geval van een gestelde inbreuk op het recht op een hoog niveau van milieubescherming, zoals uitgevoerd onder de voorwaarden die door de Europese Unie hoofdzakelijk zijn vastgelegd in richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en met name [op het recht] op hulp bij het verkrijgen van inspraak van het publiek over een project dat significante gevolgen kan hebben voor speciale beschermingszones die zijn opgenomen in het zogeheten Europese ecologische netwerk NATURA 2000, het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht alsmede de rechten waarop verzoekster, als vereniging zonder winstoogmerk die op nationaal niveau actief is op het gebied van natuurbescherming, zich beroept overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en binnen de grenzen die zijn gesteld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011 (C-240/09), ook worden gewaarborgd wanneer de nationale rechter de toetsing in de gerechtelijke procedure beëindigt in een geding over de toetsing van een besluit waarbij [aan die organisatie] de status van partij wordt ontzegd in een bestuurlijke procedure over de afgifte van een vergunning, zoals in casu is gebeurd, en [die organisatie] uitnodigt beroep in te stellen tegen haar uitsluiting van die bestuurlijke procedure?”
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-240/09 Lesoochranárske zoskupenie; C-182/10 Solvay e.a.; C-604/12 HN
Specifiek beleidsterrein: IenM mede EZ

Gerelateerde documenten