C-243/21 TOYA 

Contentverzamelaar

C-243/21 TOYA 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     2 augustus 2021

Trefwoorden : telecom; elektronische communicatienetwerken; infrastructuur

Onderwerp :

-           Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (kostenrichtlijn);

-           Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn); 

-           Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn);

-           Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie;

Feiten:

TOYA is een telecommunicatieonderneming en tevens een exploitant van een netwerk in de zin van de Wruist (wet betreffende de ondersteuning van de ontwikkeling van telecommunicatiediensten en –netwerken). De directeur van de UKE (autoriteit voor elektronische communicatie) heeft ambtshalve een administratieve procedure ingeleid en TOYA verzocht om informatie over de voorwaarden voor toegang tot haar fysieke infrastructuur. In antwoord hierop heeft TOYA de gevraagde informatie verstrekt. Op 11-09-2018 heeft de directeur van de UKE een besluit vastgesteld waarbij hij de voorwaarden voor toegang tot de fysieke infrastructuur van Toya heeft vastgesteld wat betreft de kabel- en telecommunicatiekanalen in gebouwen en heeft hij Toya gelast ervoor te zorgen dat zij gereed was om kaderovereenkomsten en specifieke overeenkomsten te sluiten en om verzoeken om toegang tot haar fysieke infrastructuur in te willigen overeenkomstig de in dat besluit vastgestelde toegangsvoorwaarden. Toya heeft tegen het besluit van de directeur van de UKE beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

De verwijzende rechter wenst te vernemen of het bepaalde in het Unierecht inzake de regulering van de telecommunicatiemarkt eraan in de weg staat dat artikel 18(3) van de Wruist aldus wordt uitgelegd dat de directeur van de UKE een telecommunicatieonderneming met fysieke infrastructuur, die tegelijkertijd leverancier is van elektronischecommunicatiediensten en/of -netwerken, maar niet over een aanmerkelijke marktmacht beschikt op de markt van kabelkanalen, een regelgevende verplichting mag opleggen in de vorm van de toepassing van door de directeur van de UKE ex ante vastgestelde voorwaarden voor toegang tot de fysieke infrastructuur van die exploitant, met inbegrip van de regels en procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de voor toegang toegepaste tarieven, ongeacht of er een geschil bestaat over de toegang tot de fysieke infrastructuur van deze exploitant, en er sprake is van werkelijke concurrentie op de markt. Om de zaak af te doen, moet de verwijzende rechter de situatie feitelijk en rechtens toepassen op de datum dat het besluit werd genomen, dat wil zeggen op 11-09- 2018, toen richtlijnen 2002/19 en 2002/21 van kracht waren, en die op 21 december 2020 zijn verstreken op grond van artikel 125 van richtlijn 2018/1972 die die richtlijnen heeft vervangen. Bovendien is deze laatstgenoemde richtlijn nog niet in het Poolse rechtssysteem geïmplementeerd. Mocht het Hof echter van oordeel zijn dat de gestelde vragen betrekking moeten hebben op het bepaalde in de EWEC-richtlijn, dan verzoekt de verwijzende rechter om beantwoording van de in optie II gestelde vraag.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 8, lid 3, van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, en artikel 1, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een nationale regelgevende instantie een exploitant die beschikt over fysieke infrastructuur en tegelijkertijd leverancier is van publiek toegankelijke elektronische-communicatiediensten en/of -netwerken, maar niet is aangemerkt als een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, kan verplichten de door die instantie ex ante opgelegde voorwaarden inzake toegang tot de fysieke infrastructuur van die exploitant na te leven, met inbegrip van de regels en procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de voor toegang toegepaste tarieven, ongeacht of er een geschil bestaat over de toegang tot de fysieke infrastructuur van deze exploitant en ongeacht of er sprake is van werkelijke mededinging op de markt?

Eventueel (optie II)

2. Moeten artikel 67, leden 1 en 3, gelezen in samenhang met artikel 68, leden 2 en 3, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, en artikel 1, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid aldus worden uitgelegd dat zij er zich tegen verzetten dat een nationale regelgevende instantie aan een exploitant die beschikt over fysieke infrastructuur en tegelijkertijd leverancier is van elektronische-communicatiediensten en/of -netwerken, maar niet is aangemerkt als exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, kan verplichten de door die instantie ex ante opgelegde voorwaarden inzake toegang tot de fysieke infrastructuur van die exploitant na te leven, met inbegrip van de regels en procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de voor toegang toegepaste tarieven, ongeacht of er een geschil bestaat over de toegang tot de fysieke infrastructuur van deze exploitant en ongeacht of er sprake is van werkelijke mededinging op de markt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK;