C-250/21 O. Fundusz lnwestycyjny zamknięty reprezentowany przez O

Contentverzamelaar

C-250/21 O. Fundusz lnwestycyjny zamknięty reprezentowany przez O

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     4 augustus 2021

Trefwoorden : btw-richtlijn; beleggingsfonds; subparticipatieovereenkomst

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoeker is een niet-gestandaardiseerd securitisatiefonds en overweegt om in de toekomst subparticipatieovereenkomsten met banken of andere securitisatiefondsen te sluiten, waarbij hij zou optreden als subparticipant. Hierbij verbindt de originator van een subparticipatie zich ertoe om alle inkomsten uit de in deze overeenkomst gespecificeerde vorderingen over te dragen aan zijn medecontractant (de subparticipant). Al bij de sluiting van de overeenkomst ontvangt de originator van de medecontractant een vergoeding ter verbetering van zijn liquiditeit. Daarbij blijven de vorderingen die het voorwerp zijn van de subparticipatie (bijvoorbeeld vorderingen uit leningovereenkomsten) in handen van de originator. Volgens verzoeker dienen de beschreven handelingen te worden vrijgesteld van btw.  Verzoeker is van oordeel dat securitisatiediensten, en in het kader daarvan ook subparticipaties, vanuit economisch oogpunt moeten worden beschouwd als financiële instrumenten die vergelijkbaar zijn met kredieten of geldleningen, die vrijgesteld zijn van de btw. De minister heeft in zijn individuele interpretatie geoordeeld dat het door verzoeker ingenomen standpunt onjuist is. De betrokken diensten kunnen niet als vrijgestelde diensten worden gekwalificeerd. Bijgevolg heeft de minister vastgesteld dat de door verzoeker in het kader van de subparticipatieovereenkomst verrichte diensten moeten worden belast tegen het voor de btw geldende basistarief van 23%. Op het beroep van verzoeker heeft de bestuursrechter in eerste aanleg de individuele interpretatie bij vonnis van 25-05-2017 nietig verklaard. Deze rechter heeft kortom geoordeeld dat subparticipatieovereenkomsten moeten worden geacht binnen de werkingssfeer van de vrijstelling te vallen, aangezien zij hetzelfde doel hebben als leningovereenkomsten en de voornaamste aspecten daarvan omvatten. De minister heeft cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter en heeft verwezen naar een andersluidend vonnis van de bestuursrechter in een zaak met feiten die sterk lijken op die van de onderhavige zaak.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat de beslechting van het cassatieberoep een antwoord van het Hof op de vraag naar de uitlegging en de wijze van toepassing van artikel 135(1)b) van de btw-richtlijn vereist. Aangezien de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties niet uniform is en de kwestie ten gronde voor btw-doeleinden in de Europese Unie op uniforme wijze moet worden geregeld, heeft de verwijzende rechter het noodzakelijk geacht het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd) aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling waarin deze bepaling voorziet voor de verlening van kredieten, de bemiddeling inzake kredieten of het beheer van kredieten van toepassing is op de in het hoofdgeding beschreven subparticipatieovereenkomst?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-281/91;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal