C-258/22 H Lebensversicherung

Contentverzamelaar

C-258/22 H Lebensversicherung

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    31 juli 2022

Trefwoorden: vennootschapsbelasting, beleggingsfondsen, vrije verkeer van kapitaal

Onderwerp: Artikel 63, lid 1, VWEU

Feiten:

Verzoekster en verweerster in „Revision” (verzoekster) is een aan de vennootschapsbelasting en de bedrijfsbelasting onderworpen publiekrechtelijke instelling die een levensverzekeringsonderneming exploiteert. In het litigieuze jaar (2001) had verzoekster rechtstreekse deelnemingen in onder andere verschillende niet-ingezeten kapitaalvennootschappen, waarbij zij telkens minder dan 10 % van het vrij verhandelbare deel van het aandelenkapitaal in handen had. Zij heeft in het litigieuze jaar dividenden van deze vennootschappen ontvangen. Voorts had verzoekster deelnemingen in verschillende beleggingsfondsen, waarvan zij in het litigieuze jaar eveneens uitkeringen heeft ontvangen. De uitkeringen door de fondsen waren gebaseerd op dividenden van niet-ingezeten kapitaalvennootschappen waarin de beleggingsfondsen een deelneming van minder dan 10 % hadden. Met haar verzoek in april 2004 oefende verzoekster het recht van levens- en ziektekostenverzekeraars uit om § 8b, lid 8, KStG, reeds toe te passen voor de belastingjaren 2001 tot en met 2003. Dit had tot gevolg dat 20 % van de dividendinkomsten uit de deelnemingen in het vrij verhandelbare deel van het aandelenkapitaal van niet-ingezeten kapitaalvennootschappen op grond van § 8b, lid 1, KStG niet in aanmerking mocht worden genomen bij de vaststelling van de voor de vennootschapsbelasting relevante winst. Bij de vaststelling van de grondslag voor de berekening van de bedrijfsbelasting is verweerder en verzoeker tot „Revision” in de eerste plaats uitgegaan van de overeenkomstig het KStG vast te stellen winst. Krachtens § 8, punt 5, eerste volzin, GewStG heeft de belastingdienst bovenop dit basisbedrag echter 20 % van elk van de door verzoekster ontvangen uitkeringen van niet-ingezeten kapitaalvennootschappen, die volgens § 8b, lid 1, KStG niet in aanmerking mochten worden genomen bij de vaststelling van de winst volgens de vennootschapsbelastingregels, heropgenomen in de berekeningsgrondslag. Volgens verzoekster kan het bepaalde in § 8, punt 5, eerste volzin, GewStG met betrekking tot de verhoging niet worden toegepast voor het belastingtijdvak 2001 wegens schending van het Unierechtelijke vrije verkeer van kapitaal. Zij leidt dit af uit het feit dat § 8b, lid 1, KStG in 2001 nog niet van toepassing was op uitkeringen van ingezeten kapitaalvennootschappen, zodat er in die gevallen geen sprake kon zijn van een verhoging krachtens § 8, punt 5, GewStG. De verschillende temporele toepasselijkheid van de regeling, die in wezen afhangt van de plaats van de zetel van de uitkerende vennootschap, leidt volgens verzoekster tot discriminatie van buitenlandse situaties.

Overweging:

Het lijdt geen twijfel dat het vrije verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 63, lid 1, VWEU van toepassing is. Aangezien het vrije verkeer van kapitaal ook het kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen beschermt, geldt dit ongeacht het feit of de niet-ingezeten vennootschappen waarvan verzoekster dividenden heeft ontvangen, in een lidstaat van de Europese Unie dan wel in een derde land zijn gevestigd. De vraag is echter of de voor 2001 krachtens § 8, punt 5, GewStG opgelegde verhoging met dividenden uit buitenlandse deelnemingen leidt tot een beperking van het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen. Het valt te betwijfelen of de verhoging krachtens § 8, punt 5, GewStG aandeelhouders die aan de bedrijfsbelasting zijn onderworpen ervan kan doen afzien om in andere landen investeringen te doen. Het bestaan van een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan mogelijkerwijs ook worden weerlegd op grond dat er in 2001 met betrekking tot de toepassing van § 8, punt 5, GewStG op dividenden uit buitenlandse deelnemingen in het vrij verhandelbare deel van het aandelenkapitaal geen sprake was van een objectief vergelijkbare situatie ten opzichte van dividendinkomsten uit binnenlandse deelnemingen. Indien los van deze overwegingen wordt aangenomen dat de verhoging met dividendinkomsten uit vrij verhandelbare aandelen van nietingezeten kapitaalvennootschappen krachtens § 8, punt 5, GewStG het vrije kapitaalverkeer beperkt, dan zou deze beperking kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te waarborgen.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 56, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans artikel 63, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van een lidstaat op grond waarvan bij de vaststelling van de heffingsgrondslag van de bedrijfsbelasting van een vennootschap, dividenden uit deelnemingen van minder dan 10 % in niet-ingezeten kapitaalvennootschappen (deelnemingen in het vrij verhandelbare deel van het aandelenkapitaal) opnieuw worden opgenomen in de heffingsgrondslag, indien en voor zover deze dividenden in een eerdere fase van de vaststelling werden afgetrokken van de heffingsgrondslag, terwijl soortgelijke dividenden uit deelnemingen in het vrij verhandelbare deel van het aandelenkapitaal van kapitaalvennootschappen die in de betrokken lidstaat zijn gevestigd, niet in aftrek worden gebracht en dus ook niet (opnieuw) worden opgenomen in het kader van de vaststelling van de heffingsgrondslag van de bedrijfsbelasting?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: X (In derde landen gevestigde tussenvennootschappen) (C-135/17), (C-559/13), STEKO Industriemontage (C-377/07), Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11).

Specifiek beleidsterrein: FIN