C-261/15 Demey

Contentverzamelaar

Terug C-261/15 Demey

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   20 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   06 augustus 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   06 september 2015
Trefwoorden: transport (trein); vervoersovereenkomst

Onderwerp
Verordening (EG) Nr 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer

Verzoeker Gregory Demey wordt gedurende 2013 op het treintraject Ieper – Gent – St Pieters (BEL) viermaal betrapt op zwartrijden. Daarvoor ontvangt hij telkens van verweerster NMBS een formulier met uitnodiging tot betaling van de ritprijs (€ 11,20) + een boete (€ 8 !). Verzoeker voldoet daar nooit aan, ook niet aan de aanmaningen die verweerster na iedere verstrijking van de termijn aan verzoeker stuurt waarbij incassokosten (steeds € 200) aan de te betalen som worden toegevoegd. Verzoeker betaalt uiteindelijk in november 2013 € 19,20 en in februari 2014 € 44,80. Op 30-09-2014 staat er nog een bedrag van € 780 open.
Verweerster stelt dat verzoeker geen recht heeft op de rechtsbescherming zoals geregeld in de BEL WMPC = Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming omdat er in verzoekers geval geen sprake is van een vervoerovereenkomst tussen partijen. Verzoeker ziet wel rechtsbescherming in Vo. 1371/2007 waarin is opgenomen dat het ontbreken van het vervoerbewijs noch het bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aantast.

De verwijzende BEL rechter (Vredegerecht Ieper) ziet noodzaak het HvJEU een vraag voor te leggen. Hij stelt vast dat rechtsbeschermingsbepalingen waar verzoeker zich op beroept gesteund zijn op contractuele verhoudingen tussen een consument en de vervoersmaatschappij (in casu verweerster), waarbij deze, wat haar openbare dienstverlening betreft, volgens de heersende rechtspraak valt onder-de WMPC. De strafrechtelijke benadering door verweerster van de door verzoeker als treinreiziger (onweersproken) gepleegde feiten roept de vraag op of de Rb alsnog de wettelijke beschermingsbepalingen gesteund op een contractuele rechtsverhouding tussen de treinreiziger en de vervoersmaatschappij, in casu kan toepassen?
De voorgelegde vraag luidt als volgt:
“Verzet artikel 6.2, In fine, van Bijlage I van de Verordening (EG) Nr 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer zich tegen de Belgische nationale strafbepalingen zoals hiervoor sub 03.02.01. aangehaald, op grond waarvan een treinreiziger zonder vervoerbewijs - noch regularisatie ervan binnen de reglementair voorziene termijnen - een strafrechtelijke inbreuk begaat, welke elke contractuele band tussen de vervoersmaatschappij en de treinreiziger uitsluit, zodat dienvolgens ook de rechtsbeschermingsbepalingen terzake van europees en nationaal Belgisch recht die geënt zijn op die (exclusieve) contractuele band met deze consument, zoals hiervoor sub 03.02.02. aangehaald, aan de treinreiziger ontzegd worden.”

Specifiek beleidsterrein: IenM

Gerelateerde documenten