C-263/15 Lajvér

Contentverzamelaar

Terug C-263/15 Lajvér

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   28 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   14 augustus 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   14 september 2015
Trefwoorden: btw; economische activiteit; staatssteun (landbouw)

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Beide verzoeksters zijn niet op winst gerichte commerciële organisaties, opgericht voor het algemeen nut. Zij zijn opgericht om op de aan hun vennoten toebehorende en aan de rand van twee gemeentes gelegen terreinen een aantal met middelen van de HON overheid en de EU gefinancierde bouwwerken (cultuurtechnische werkzaamheden, een drainagesysteem, een waterreservoir en een put in de alluviale grond) uit te voeren en te exploiteren (investering in aan derden toebehorende onroerende zaken). Verzoeksters ontvangen steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling op grond van een HON besluit van 27-03-2008. De daarin verplichte exploitatieperiode bedraagt vijf jaar vanaf de indiening van de laatste betaalaanvraag. Verzoeksters zijn voornemens gedurende acht jaar een exploitatievergoeding te vragen welke bij de indiening van hun steunaanvragen als inkomsten wordt opgegeven. De uitvoering van de investering dragen verzoeksters over aan een derde partij die daarvoor facturen met btw in rekening brengt. Verzoeksters willen die btw vervolgens in aftrek brengen. Dat wordt door verweerster (regionale belastingdienst) geweigerd omdat geen sprake zou zijn van een economische activiteit in de zin van de btw-wet. Verzoeksters worden niet als belastingplichtigen beschouwd. Waar het gaat om onderhoud van de openbare weg betreft dat een wettelijke verplichting, geen dienst. De geringe inkomsten uit de exploitatie vallen niet onder het begrip ‘tegenprestatie’ van de btw-wet. Verzoeksters starten een procedure maar worden in het ongelijk gesteld. De zaak ligt nu voor in cassatieberoep bij de verwijzende rechter. Verzoeksters handhaven hun stelling dat zij commerciële instellingen zijn. De btw-heffing is op objectieve criteria gebaseerd; of btw kan worden afgetrokken is afhankelijk van de vraag of de verrichte activiteiten onder de btw-regeling vallen. Voor een economische activiteit is het voldoende als sprake is van duurzaam of geregeld verrichten en dat er geldelijk voordeel te verwachten is. Zij verwijzen naar het arrest in zaak C-280/10.
De verwijzende HON rechter (Hooggerechtshof) oordeelt dat verzoeksters gelet op de brede interpretatie door het HvJEU van het begrip economische activiteit als belastingplichtig zijn aan te merken. Ook de vraag of hier sprake is van het verrichten van een dienst beantwoordt hij bevestigend. Het antwoord van het HvJEU op onderstaande vierde vraag is voor hem essentieel is om te weten of de gevraagde vergoeding een tegenprestatie is en of er tussen de instandhouding van [de met de investeringen gerealiseerde voorzieningen] en die tegenprestatie een directe relatie bestaat die ten grondslag ligt aan de belastingplicht. De vragen luiden als volgt:
1. Handelen de verzoekende partijen in de aan de orde zijnde omstandigheden als belastingplichtigen wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat volgens de uitlegging van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn de door commerciële organisaties verrichte activiteiten niet zijn uitgesloten van het begrip economische activiteit, ook al mogen deze organisaties slechts in ondergeschikte mate op commerciële wijze economische activiteiten verrichten?
2. Is het voor het aanmerken van de verzoekende partijen als belastingplichtigen van belang dat zij een aanzienlijk deel van hun investeringen met staatssteun financieren en dat zij middels de exploitatie opbrengsten verwerven doordat een kleine vergoeding wordt ontvangen?
3. Zo nee, is die „vergoeding” dan aan te merken als een tegenprestatie voor een dienst en bestaat er een directe relatie tussen het verrichten van de dienst en de betaling van de tegenprestatie?
4. Verrichten de verzoekende partijen met het exploiteren van de gedane investeringen een dienst in de zin van artikel 24 van de btw-richtlijn, of is geen sprake van een dienst daar het om de nakoming van wettelijke verplichtingen gaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-280/10 Polski Trawertyn
Specifiek beleidsterrein: FIN mede EZ

Gerelateerde documenten