C-264/21 Koninklijke Philips

Contentverzamelaar

Terug C-264/21 Koninklijke Philips

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     14 augustus 2021

Trefwoorden : merkenrecht; productie; producent; aansprakelijkheid;

Onderwerp

Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999;

Feiten:

Wie is de producent van een espressomachine die een brand heeft veroorzaakt? Verzoeker (een verzekeringsmaatschappij) heeft aan een consument op grond van de opstalverzekering een schadevergoeding van €58.879,10 uitgekeerd wegens brandschade. De dag vóór de brand had de consument bij een handelaar een nieuwe espressomachine van het merk Philips gekocht. Volgens het door de brandweer opgestelde onderzoeksrapport was het deze espressomachine die de brand heeft veroorzaakt. De espressomachine is in Roemenië geproduceerd door de Italiaanse vennootschap Saeco International, een Nederlandse dochteronderneming van Koninklijke Philips NV (KPNV). Op de espressomachine en de verpakking waren de tekens „Philips” en „Saeco” aangebracht, die allebei als merken van KPNV zijn geregistreerd. De Finse dochteronderneming van KPNV, Philips Oy, verkoopt huishoudelijke apparaten voorzien van het merk Philips, waaronder de litigieuze espressomachine. De espressomachine was voorzien van een CE-markering met het merk „Saeco”, een Italiaans adres en de vermelding „Made in Romania”. Verzoeker heeft KPNV voor de Finse rechtbank in eerste aanleg gedaagd om schadevergoeding te verkrijgen. Verzoeker achtte KPNV aansprakelijk voor deze schade, aangezien KPNV alle aandelen in Saeco International bezat en de merken van KPNV op de espressomachine waren aangebracht. Voorts zet verzoeker uiteen dat de espressomachine zowel via de Finse website van KPNV als via de website van haar dochteronderneming, Philips Oy, werd verkocht. KPNV heeft de vordering betwist en stelt dat zij niet de producent van de espressomachine is. De vordering werd in eerste aanleg toegewezen, waarna KPNV hoger beroep instelde. In tweede aanleg werd geoordeeld dat KPNV niet aansprakelijk was voor de door het product veroorzaakte schade. Verzoeker heeft hierop beroep in cassatie ingesteld.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is onduidelijk hoe de bepaling in artikel 3(1) van richtlijn 85/374 volgens welke onder „producent” wordt verstaan „eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen”, moet worden uitgelegd. De vraag is of naast het aanbrengen van het merk ook aan andere criteria moet worden voldaan om de merkhouder aan te kunnen merken als degene die zich presenteert als producent van het product. Indien aan dergelijke aanvullende criteria moet worden voldaan, moeten ook de inhoud en de beoordeling ervan worden uitgelegd. Het Hof heeft nog geen enkel arrest gewezen waarin de personele werkingssfeer van de productaansprakelijkheid op basis van het gebruik van het merk wordt verduidelijkt.

Prejudiciële vragen:

1. Vereist het begrip „producent”, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374, dat een persoon die zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product heeft aangebracht dan wel heeft  toegestaan dat dit wordt aangebracht, zich ook op een andere manier als producent van het product presenteert?

2. Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, aan de hand van welke criteria moet dan worden vastgesteld of de persoon zich als producent van het product presenteert? Is het voor deze beoordeling van belang dat het product werd vervaardigd door een dochteronderneming van de merkhouder en door een andere dochteronderneming werd verkocht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-402/03; C-127/04;

Specifiek beleidsterrein: EZK