C-264/22 Fonds de Garantie des Victimes des Actes de Terrorisme et dAutres Infractions

Contentverzamelaar

C-264/22 Fonds de Garantie des Victimes des Actes de Terrorisme et dAutres Infractions

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2022

Trefwoorden: schadevordering, ongeval, subrogatie, verjaringstermijn, Rome II

Onderwerp:

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)

Feiten:

Het Franse garantiefonds voor slachtoffers van terroristische daden en andere strafbare feiten (appellant), heeft in een gewone procedure een vordering tot betaling van een geldbedrag ingesteld tegen Victoria Seguros, S.A. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat op 04-08-2010 voor het strand van Alvor (Portugal) een Frans staatsburger is aangevaren door een vaartuig dat werd bestuurd door de eigenaar ervan, die tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij geïntimeerde. De persoon in kwestie, die aan het zwemmen en snorkelen was in een zone waar uitsluitend mocht worden gebaad en gezwommen en waar varen verboden was, werd geraakt door de schroef van het vaartuig, als gevolg waarvan hij ernstig lichamelijk letsel opliep en diverse medische behandelingen moest ondergaan. In de onderhavige procedure vordert appellant dan ook dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot terugbetaling aan hem van het hierboven vermelde bedrag, waarbij hij betoogt dat op het ongeval en op de verplichting tot schadevergoeding het Portugese recht moet worden toegepast en op de verjaring en de berekening van de termijnen daarvoor het Franse recht, zoals volgt uit artikel 19 van verordening 864/2007. Geïntimeerde bepleit de toepassing van het Portugese recht op onder meer de verjaring, en heeft de exceptie opgeworpen op grond van artikel 498, lid 1, van de Código Civil, rekening houdend met het feit

dat het recht van appellant op de datum van instelling van de vordering reeds lang was verjaard. In zijn memorie van antwoord betwistte appellant de ontvankelijkheid van de exceptie van verjaring en betoogde hij, kort samengevat, dat de verjaringstermijn noch naar Frans, noch naar Portugees recht was verstreken.

Overweging:

In casu is de vraag aan de orde of het Franse nationale recht of het Portugese nationale recht moet worden toegepast op de (berekening van de) verjaringstermijn van het recht op schadevergoeding uit hoofde van wettelijke aansprakelijkheid uit een onrechtmatige daad die zich in Portugal heeft voorgedaan, waarbij het slachtoffer en de gesubrogeerde partij die een vordering tegen de verzekeraar heeft ingesteld, de Franse nationaliteit hebben. In de specifieke situatie zoals die aan de Portugese rechter is voorgelegd, bestaat er onenigheid over de uitlegging van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, en artikel 15, onder h), van de Rome II-verordening, die bepalend is voor de toepassing van het Portugese recht dan wel het Franse recht wat de regels inzake de verjaring van het recht en de wijze van berekening van de termijn betreft, met verschillende oplossingen voor het geding ten gevolge.

Prejudiciële vraag:

Is het toepasselijke recht inzake verjaring van de schadevordering het recht van de plaats van het ongeval (het Portugese recht), overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 15, onder h), van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007, Rome II, of is, in geval van subrogatie in de positie van de benadeelde, het „recht van de gesubrogeerde derde” (het Franse recht) van toepassing, overeenkomstig artikel 19 van die verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK