C-266/21 HV 

Contentverzamelaar

C-266/21 HV 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    15 september 2021

Trefwoorden : Rijbewijs, wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen

Onderwerp :

•          artikel 2, punt 4, en artikel 4, lid 1, onder d), van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen.

•          artikel 11, leden 2 en 4, eerste tot en met derde alinea, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs.

Feiten:

Betrokkene, houder van een in Bulgarije afgegeven rijbewijs, is in Bulgarije veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersdelict. Hiervoor is hem een geldboete opgelegd en voor een periode van 6 maanden de bevoegdheid ontzegd om een motorvoertuig te besturen. Voor het openbaar ministerie bleek het onmogelijk om de sanctie van 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid ten uitvoer te leggen omdat de betrokkene permanent in Spanje verblijft en het in Bulgarije afgegeven rijbewijs heeft ingewisseld voor een Spaans rijbewijs. De Bulgaarse rechter heeft Spanje daarom verzocht om de straf ten uitvoer te leggen. Spanje heeft dit verzoek afgewezen, omdat de intrekking van het rijbewijs niet behoort tot de straffen die op grond van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen moeten worden erkend.

Overweging:

De Bulgaarse rechter vraagt zich af hoe in deze situatie de straf van ontzegging van de rijbevoegdheid ten uitvoer moet worden gelegd. Volgens deze rechter valt de ontzegging van de rijbevoegdheid onder de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/947

Prejudiciële vragen:

1. – Vallen rechterlijke beslissingen in strafprocedures waarbij aan de dader wegens het overtreden van verkeersregels en het door nalatigheid veroorzaken van middelzwaar lichamelijk letsel, als administratieve sanctie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor bepaalde tijd wordt opgelegd, binnen de werkingssfeer van de artikelen 2, punt 4, en 4, lid 1, onder d), van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen?

2. – Vormen de bepalingen van artikel 11, leden 2 en 4, eerste tot en met derde alinea, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, voor de lidstaat waar de houder van een door deze staat afgegeven rijbewijs gewoonlijk verblijft, een grond voor de weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een administratieve sanctie in de vorm van een tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig, die in een andere lidstaat is opgelegd voor een overtreding die is begaan op een datum waarop de overtreder in het bezit was van een rijbewijs dat door de staat van zijn verblijf is afgegeven na inwisseling van het oorspronkelijk door de staat van veroordeling afgegeven rijbewijs?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-260/13

Specifiek beleidsterrein: JenV, IenW