C-267/20 Volvo et DAF Trucks

Contentverzamelaar

C-267/20 Volvo et DAF Trucks

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     29 september 2020

Trefwoorden : mededinging; terugwerkende kracht; verjaring;

Onderwerp :

Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie;

 

Feiten:

Bij besluit van 19-07-2016 heeft de Commissie een sanctie opgelegd aan de voornaamste vrachtwagenbouwers wegens mededingingsverstorende gedragingen; een kartel dat een inbreuk vormde op artikel 101 VWEU. Dit besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van 06-04-2017. Op 01-04-2018 heeft verweerster tegen verzoekers een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade als gevolg van de mededingingsverstorende gedragingen. In haar verzoekschrift beroept verweerster zich subsidiair, voor het geval richtlijn 2014/104 en de omzetting daarvan in Spaans recht niet van toepassing zouden zijn, op de algemene leer van niet-contractuele aansprakelijkheid volgens welke de termijn om een vordering in te stellen 1 jaar bedraagt. Verzoekers stellen dat de vordering was verjaard omdat de termijn van 1 jaar was verstreken. Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in eerste aanleg waarbij zij zijn veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan verweerster. In hoger beroep stellen verzoekers dat richtlijn 2014/104 niet met terugwerkende kracht van toepassing is omdat de door de Commissie bestrafte mededingingsverstorende gedragingen op 18-01-2011 zijn beëindigd en de datum waarop de feiten zich hebben voorgedaan van belang is voor de vaststelling dat de bepalingen van de richtlijn niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.

 

Overweging:

In deze zaak moet worden verduidelijkt welke regelgeving van toepassing is om de verjaringstermijn van de ingestelde vordering tot schadevergoeding en de toepassing van de regels inzake bewijslast en rechterlijke begroting van schade vast te stellen. Er bestaat vooral onenigheid over de (directe en indirecte) toepassing van richtlijn 2014/104 op het onderhavige geval en er zijn twijfels over de overgangsregeling ervan.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 101 VWEU en het beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van bepalingen van nationaal recht op grond waarvan artikel 10 van [richtlijn 2014/104/EU], dat een termijn vastlegt van vijf jaar voor het instellen van de vordering, en artikel 17 [van die richtlijn], betreffende de rechterlijke begroting van de schade, niet met terugwerkende kracht van toepassing zijn, en de relevante datum voor terugwerkende kracht niet die van het instellen van de vordering is, maar die van het besluit waarbij de sanctie is opgelegd?

2) Moeten artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104/EU en het begrip „terugwerkende kracht” aldus worden uitgelegd dat artikel 10 van de richtlijn van toepassing is op een vordering als die in het hoofdgeding, die weliswaar is ingesteld na de inwerkingtreding van de richtlijn en de  omzettingsbepalingen, maar desalniettemin betrekking heeft op eerdere feiten of sancties?

3) Moet artikel 17 van richtlijn 2014/104/EG betreffende de rechterlijke begroting van de schade, bij de toepassing van een bepaling als artikel 76 van de Ley de Defensa de la Competencia (wet inzake de mededingingsbescherming) aldus worden uitgelegd dat het gaat om een procedureel voorschrift dat van toepassing is op het hoofdgeding, waarin de vordering is ingesteld na de inwerkingtreding van de nationale omzettingsbepalingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK