C-269/20 Finanzamt T

Contentverzamelaar

C-269/20 Finanzamt T

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     4 oktober 2020

Trefwoorden : belastingen; btw-groepen

Onderwerp :

-           Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: Zesde richtlijn);

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

 

Feiten:

Verzoekster is enerzijds een belastingplichtige voor het verlenen van medische zorg aan patiënten, en anderzijds geen belastingplichtige voor de opleiding van studenten. Verzoekster is tevens een overkoepelend orgaan van U-GmbH die schoonmaakwerkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden vonden plaats in zowel de faculteitsruimten die voor de verzorging van patiënten zijn bedoeld, als in ruimten die worden gebruikt voor de opleiding van studenten. Verweerder (de belastingdienst) ging ervan uit dat verzoeksters bedrijven één onderneming vormden. Aan de hand van het onder de overheidstaak vallende deel van de schoongemaakte ruimten berekende verweerder btw die €814,12 hoger was. Het hiertegen gemaakte bezwaar werd afgewezen. De belastingrechter in eerste aanleg heeft het beroep gegrond verklaard omdat er sprake is van een fiscale eenheid die leidt tot de samenvoeging van verzoekster als overkoepelend orgaan en U-GmbH als ondernemingsentiteit tot één onderneming. Onder deze fiscale eenheid vallen ook de overheidstaken van verzoekster. De voorwaarden voor intern gebruik om niet als bedoeld in §3(9a) punt 2 UstG (wet op de omzetbelasting) zijn niet vervuld. Verweerder heeft tegen deze beslissing bij de verwijzende rechter beroep in Revision ingesteld.

 

Overweging:

Het antwoord op de eerste vraag is van groot belang voor de belastinginkomsten in Duitsland, aangezien de belasting die de overkoepelende organen in hun geheel betalen, goed is voor 10% van de totale belastingopbrengst uit de omzetbelasting in Duitsland. Voorts rijst de vraag of de rechtspraak van het Hof (C-515/07) slechts betrekking heeft op de omvang van de aftrek van voorbelasting, of dat het ook geldt in het kader van een niet met de btw-aftrek verband houdende autonome toepassing van artikel 6(2)b) van de Zesde richtlijn. Het laatste zou tot gevolg hebben dat ook voor de toepassing van artikel 6(2)b) van de Zesde richtlijn een “niet-economische activiteit” niet als een activiteit voor “andere dan bedrijfsdoeleinden” moet worden beschouwd en dat deze bepaling niet van toepassing is op een dienstverrichting om niet die is bestemd voor een ideële activiteit of een overheidstaak.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet de in artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting: uniforme grondslag bedoelde machtiging voor de lidstaten om personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, samen als één belastingplichtige aan te merken, aldus worden opgevat dat

a)         één van deze personen, die een belastingplichtige is, voor alle handelingen van deze personen als de belastingplichtige wordt aangemerkt, dan wel

b)         doordat deze personen als één belastingplichtige worden aangemerkt –met als gevolg een aanzienlijke derving van belastinginkomsten – noodzakelijkerwijs een btw-groep wordt gevormd die losstaat van de nauw met elkaar verbonden personen en waarbij het om een specifiek voor btw-doeleinden in te stellen fictief lichaam gaat?

2. Indien op de eerste vraag het antwoord onder a) juist is: heeft de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over „andere dan bedrijfsdoeleinden” in de zin van artikel 6, lid 2, van de Zesde Richtlijn (arrest van het Hof van 12 februari 2009, VNLTO, C-515/07, EU:C:2009:88) ten aanzien van een belastingplichtige

a)         die een economische activiteit uitoefent en daarbij diensten onder bezwarende titel verricht in de zin van artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn en

b)         daarnaast ook werkzaamheden als overheid verricht (overheidstaak), waarvoor hij ingevolge artikel 4, lid 5, van de Zesde richtlijn niet als belastingplichtige wordt aangemerkt, tot gevolg dat over de verrichting van een onder zijn economische activiteit vallende dienst die met het oog op de uitoefening van zijn overheidstaak om niet is verricht, geen belasting in rekening dient te worden gebracht overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder b), van de Zesde richtlijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Skandia America (USA) C-7/13; Commissie/Zweden C-480/10; Gemeente Borsele en Staatssecretaris van Financiën C-520/14; Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie C-515/07;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal