C-270/21 A  

Contentverzamelaar

C-270/21 A  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     18 augustus 2021

Trefwoorden : beroepskwalificaties; gereglementeerde beroepen;

Onderwerp :

Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013;

Feiten:

A heeft bij het Opetushallitus (bureau voor onderwijswezen) een aanvraag ingediend voor erkenning van de beroepskwalificatie als kleuterleider. Bij zijn aanvraag voegde A de Estse diploma’s van de opleidingen die hij had behaald waaronder een getuigschrift van het behalen van de opleiding “opvoeding van jonge kinderen” (1980) en een „beroepscertificaat leraar, niveau 6” (2017). Bij besluit van 08-03-2018 heeft het Opetushallitus de aanvraag afgewezen, omdat het van oordeel was dat uit de getuigschriften van A niet bleek dat hij bevoegd was om kleuterleider te zijn. De bestuursrechter Helsinki heeft het beroep van A tegen het besluit van het Opetushallitus verworpen. A heeft voor de hoogste bestuursrechter vervolgens aangevoerd dat hij in Estland de voor het beroep van kleuterleider vereiste opleiding heeft genoten en dat hij beschikt over een certificaat van pedagogische vaardigheden. Het beroep van kleuterleider is volgens A in Estland een gereglementeerd beroep. Het Opetushallitus heeft voor aangevoerd dat het beroep niet gereglementeerd is indien, afgezien van het vereiste hogeronderwijsdiploma, de bekwaamheid feitelijk door de werkgever kan worden vastgesteld.

Overweging:

Het beroep van kleuterleider moet in Finland worden beschouwd als een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 3(1)a) van de richtlijn beroepskwalificaties, aangezien de wet als voorwaarde voor de bekwaamheid voor het beroep voorschrijft dat een specifieke, duidelijk omschreven opleiding met het oog op de beroepskwalificatie met succes moet zijn afgerond. In casu is het onduidelijk of het beroep van kleuterleider in Estland zodanig geregeld is dat het moet worden aangemerkt als een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 3(1)a) van de richtlijn beroepskwalificaties. Het is de verwijzende rechter niet bekend of het Hof het begrip „gereglementeerd beroep” heeft uitgelegd in een situatie als die in het onderhavige geding, waarin de toepasselijke regeling de werkgever een zekere marge lijkt te laten om te beoordelen of een persoon, afgezien van het vereiste van een diploma, voldoet aan de in een verordening geregelde bekwaamheidseisen, en waarin de aard van het bewijs voor de bekwaamheidseis van pedagogische vaardigheden niet uitputtend is geregeld op het niveau van de wet, een verordening of bestuursrechtelijke bepalingen. Dit is het onderwerp van de eerste prejudiciële vraag. Ten tweede is het de verwijzende rechter niet bekend of het Hof de richtlijn beroepskwalificaties, en met name artikel 3(3), heeft uitgelegd met betrekking tot een beroepskwalificatie die is gebaseerd op een diploma dat is behaald en/of beroepservaring die is opgedaan in een Socialistische Sovjetrepubliek voordat een lidstaat weer onafhankelijk werd. Dit is het onderwerp van de tweede en derde prejudiciële vraag.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (hierna: „richtlijn beroepskwalificaties”), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, aldus worden uitgelegd dat als een gereglementeerd beroep moet worden aangemerkt een beroep is waarvoor enerzijds de bekwaamheidseisen zijn vastgelegd in een door de minister van onderwijs van een lidstaat vastgestelde verordening en de inhoud van de voor een kleuterleider vereiste pedagogische vaardigheden is geregeld in een beroepsnorm en in verband waarmee de lidstaat het beroep van kleuterleider heeft laten opnemen in de bij de Commissie ingestelde databank van gereglementeerde beroepen, maar waarbij, anderzijds, volgens de bewoordingen van de verordening betreffende de bekwaamheidseisen van dat beroep, de werkgever over een beoordelingsmarge beschikt om te beoordelen of aan de bekwaamheidseisen is voldaan, in het bijzonder wat het vereiste van pedagogische vaardigheden betreft, en de aard van het bewijs van het bestaan van pedagogische vaardigheden noch in de betrokken verordening noch in andere wetten, verordeningen of bestuursrechtelijke bepalingen is geregeld?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong afgegeven getuigschrift dat betrekking heeft op een beroepskwalificatie en voor de verkrijging waarvan werkervaring in het betrokken beroep vereist is, worden aangemerkt als een bekwaamheidsattest of een andere opleidingstitel in de zin van artikel 13, lid 1, van de richtlijn beroepskwalificaties, wanneer de beroepservaring waarop het verstrekken van het getuigschrift berust, stamt uit de lidstaat van oorsprong uit een tijd waarin deze lidstaat een Socialistische Sovjetrepubliek was, en uit de ontvangende lidstaat, maar niet uit de lidstaat van oorsprong uit de tijd na de hernieuwde onafhankelijkheid?

3. Moet artikel 3, lid 3, van de richtlijn beroepskwalificaties aldus worden uitgelegd dat een beroepskwalificatie die is gebaseerd op een diploma dat is behaald aan een onderwijsinstelling op het geografische grondgebied van een lidstaat in een tijd waarin die lidstaat niet als onafhankelijke staat, maar als Socialistische Sovjetrepubliek bestond, alsmede op beroepservaring die op grond van dit diploma in de betrokken Socialistische Sovjetrepubliek is verworven vóór de hernieuwde onafhankelijkheid van de lidstaat, moet worden beschouwd als een in een derde land verworven beroepskwalificatie, zodat voor een beroep op deze beroepskwalificatie een aanvullende beroepservaring van drie jaar in de lidstaat van oorsprong uit de periode na diens hernieuwde onafhankelijkheid vereist is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Koninkrijk Spanje C-39/07; C-298/14; Consiglio Nazionale degli Ingegneri C-311/06;

Specifiek beleidsterrein: OCW;