C-271/25 en C-334/25 Autovici e.a. 

Contentverzamelaar

C-271/25 en C-334/25 Autovici e.a. 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     14 juli 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     30 augustus 2025

Trefwoorden: overheidsopdrachten, aanbestedingsvoorwaarden, gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie, evenredigheid, nationale veiligheid, rechtsbescherming

Onderwerp: Handvest: artikel 47; Richtlijn 2014/24: overweging 41, artikel 18, artikel 55, lid 3, artikel 56 en artikel 57; Richtlijn 89/665: artikel 1, lid 1, vierde alinea, en artikel 1, lid 3; VEU: artikel 4, lid 2.

In deze gevoegde zaken werden bedrijven uitgesloten van een aanbestedingsprocedure voor spoorwegonderdelen omdat de Litouwse regering in 2018 had besloten dat transacties met deze leverancier de nationale veiligheid zouden bedreigen vanwege banden van de uiteindelijke eigenaar met buitenlandse autoriteiten. De Litouwse rechter vraagt onder andere in hoeverre lidstaten autonome uitsluitingsgronden mogen hanteren zonder de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid te schenden. 

Prejudiciële vragen C-271/25: 
1) Moeten de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid als bedoeld in artikel 18 van [richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG], en de artikelen 56 en 57 ervan, aldus worden uitgelegd dat nationale wetgeving op grond waarvan een aanvraag of een inschrijving van een leverancier wordt afgewezen, dient te worden beschouwd als een grond voor uitsluiting van leveranciers voor de toepassing van artikel 57 van deze richtlijn, dan wel als een onafhankelijke grond voor uitsluiting (een verbod) van deelneming aan de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten, verband houdend met de nationale veiligheid, indien de bevoegde autoriteiten de aanbestedende dienst ervan op de hoogte hebben gesteld dat de belangen van de leverancier (of van aan de leverancier verbonden personen) een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid? Zijn de vereisten van artikel 57 van richtlijn 2014/24, waaronder lid 7, ervan, zoals de beoordeling van de evenredigheid van het uitsluiten van leveranciers, het verzoek om corrigerende maatregelen (self-cleaning) of de beperking van de duur van uitsluiting, rechtstreeks of naar analogie van toepassing op een dergelijke nationale bepaling? 

2) Moeten, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2014/24, en de artikelen 56 en 57 ervan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling zoals artikel 45, lid 2 1 , punt 5, van de [Lietuvos Respublikos viešųjų pirkimų įstatymas (wet van de Republiek Litouwen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten; hierna: „wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten”)], op grond waarvan een leverancierautomatisch wordt uitgesloten van een aanbestedingsprocedure, zonder dat de aanbestedende dienst onafhankelijk beslist of de belangen van de leverancier (of van aan de leverancier verbonden personen) in het kader van de specifieke aanbesteding een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, en zonder dat in het specifieke geval de evenredigheid van de genomen maatregel (afwijzing van de aanvraag of inschrijving) wordt beoordeeld? 

3) Moeten artikel 55, lid 3, van richtlijn 2014/24, met name het bepaalde inzake rechtshandhaving en het openbaar belang, en artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, van [richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken], die voorzien in doeltreffende beroepsprocedures, gelezen in samenhang met het Unierechtelijke beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie], aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst bij afwijzing van een aanvraag of een inschrijving op grond van artikel 45, lid 2 1 , punt 5, van de wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten een exhaustieve opgave van de redenen voor zijn besluit moet verstrekken dan wel, teneinde het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming te verzoenen met het beginsel van de bescherming van gegevens aangaande de nationale veiligheid, slechts een deel van die gegevens mag verstrekken (een samenvatting, uittreksels, enkel de rechtsgrondslag, enz.)? Indien deze laatste uitlegging wordt aanvaard, welke criteria dienen dan te worden toegepast om te bepalen welke gegevens aan de leverancier dienen te worden verstrekt, zodat de toepassing van het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming met betrekking tot de geschonden rechten van de leverancier wordt gewaarborgd zonder dat de vertrouwelijkheid van de gegevens aangaande de nationale veiligheid wordt ondermijnd? 4) Moet het doel van richtlijn 89/665 en artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, ervan, gelezen in samenhang met het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming en dat van een onpartijdig gerecht zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat een rechter die kennisneemt van een geschil over de rechtmatigheid van een besluit van een aanbestedende dienst tot afwijzing van de aanvraag van een leverancier, zijn rechterlijke toetsing niet op een zodanige wijze mag beperken dat, vanwege de specifieke aard en inhoud van de gegevens waarop het bestreden besluit van de aanbestedende dienst is gebaseerd en die betrekking hebben op bedreigingen voor de nationale veiligheid, de inhoud van die gegevens niet wordt beoordeeld en de procedurele beslissing van de rechter geen uitspraak doet over de vraag of de van de bevoegde autoriteiten verkregen gegevens een voldoende en gerechtvaardigde grond vormden voor het afwijzen van de aanvraag of inschrijving?

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, worden het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming en dat van een onpartijdig gerecht zoals neergelegd in artikel 1, lid 1, [vierde] alinea, en lid 3, van richtlijn 89/665, en in artikel 47 van het Handvest dan in acht genomen, indien vertrouwelijke gegevens uitsluitend toegankelijk zouden zijn voor en beoordeeld zouden worden door een rechter die kennisneemt van een geschil over de rechtmatigheid van een afwijzend besluit van een aanbestedende dienst en die het recht heeft om vertrouwelijke informatie in te zien, mocht die aanbestedende dienst op basis van artikel 45, lid 2 1 , punt 5, van de wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten besluiten tot afwijzing van de aanvraag of inschrijving van een leverancier zonder zich daarbij op dergelijke gegevens te baseren?

De prejudiciële vragen van zaak C-334/25 zijn grotendeels gelijk aan die van zaak C-271/25, maar niet identiek. Check beide verwijzingsbeslissingen voor de volledigheid.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-450/06; C-213/07; C-439/14 en C-488/14 Star Storage e.a.; C-41/18 Meca Srl; C-723/17 ; C-927/19 Klaipėdos regiono atliekų tvarkymo centras; C-416/21 J. Sch. Omnibusunternehmen en K. Reisen; C-66/22 Infraestruturas de Portugal en Futrifer Indústrias Ferroviárias.

Specifiek beleidsterrein: EZ; JenV