C-274/20 Prefettura di Massa Carra

Contentverzamelaar

C-274/20 Prefettura di Massa Carra

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     12 oktober 2020

Trefwoorden : discriminatie; interne markt; vrij verkeer; voertuigregistratievoe;

Onderwerp : VWEU, artikelen 18, 21, 26, 45(1), 49-62

 

Feiten:

Verzoekers, GN en WX, zijn echtgenoten. GN heeft zijn vaste woonplaats in Italië, terwijl zijn vrouw WX haar vaste woonplaats in Slowakije heeft. Op een dag in 2019 reden de echtgenoten samen in de auto van WX – die in Slowakije is geregistreerd - met GN aan het stuur, toen zij door de verkeerspolitie werden aangehouden. Aan verzoekers werd een geldboete opgelegd en de auto werd in beslag genomen wegens inbreuk op artikel 93(1)bis van de codice della strada, omdat GN - die reeds meer dan 60 dagen in Italië woonde - een in het buitenland geregistreerde auto bestuurde. Verzoekers vorderen dat de hoge geldboete nietig wordt verklaard. Daarnaast stellen zij dat een dergelijke nationale bepaling, die in strijd is met de logica van Europese integratie, binnen de Europese ruimte niet toelaatbaar zou moeten zijn. Volgens de Italiaanse regering heeft deze bepaling tot doel te voorkomen dat voertuigen voor belastingdoeleinden fictief in het buitenland worden geregistreerd. Verzoekers stellen dat artikel 93(1)bis in werkelijkheid tot gevolg heeft dat nationale verzekeringsmaatschappijen worden beschermd. Dit verhulde protectionisme is duidelijk in strijd met de interne markt en met het mededingingsbeleid van de EU.

 

Overweging:

Aangezien de verwijzende rechter twijfelde over de verenigbaarheid van de genoemde nationale regeling met het Unierecht, heeft hij de behandeling van de zaak opgeschort en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet het begrip „discriminatie op grond van nationaliteit” in artikel 18 VWEU aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten verboden is regelgeving vast te stellen die voor onderdanen van andere lidstaten, ook indirect, verkapt en/of inhoudelijk, problemen kan opleveren?

2. Indien vraag 1) bevestigend wordt beantwoord, kan artikel 93, lid 1-bis van de codice della strada houdende het verbod voor eenieder die meer dan zestig dagen vaste woonplaats heeft in Italië om met buitenlandse kentekens (ongeacht op wiens naam zij zijn gesteld) aan het verkeer deel te nemen problemen opleveren voor onderdanen van andere lidstaten (bezitters van voertuigen met een   buitenlands kenteken) en als gevolg daarvan worden geacht te discrimineren op grond van nationaliteit?

3. Moeten de begrippen:

a.         „het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven” (artikel 21 VWEU);

b.         „interne markt” die „een ruimte [omvat] zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen” (artikel 26 VWEU);

c.         „[h]et verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij” (artikel 45 VWEU);

d.         „beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat [zijn] verboden” (de artikelen 49 tot en met 55 VWEU);

e.         „de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie [zijn] verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht” (de artikelen 56 tot en met 62 VWEU), aldus worden uitgelegd dat nationale bepalingen die voor onderdanen van de Unie de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, het recht van vrij verkeer van werknemers binnen de Unie, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, ook slechts indirect, verkapt en/of inhoudelijk, kunnen beperken of bemoeilijken of anderszins kunnen  beïnvloeden, eveneens verboden zijn?

4. Indien vraag 3 bevestigend wordt beantwoord, kan artikel 93, lid 1-bis, van de codice della strada houdende het verbod voor eenieder die meer dan zestig dagen vaste woonplaats heeft in Italië om met buitenlandse kentekens (ongeacht op wiens naam zij zijn gesteld) aan het verkeer deel te nemen, de uitoefening van recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, het recht van vrij verkeer van werknemers binnen de Unie, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting beperken, bemoeilijken of anderszins beïnvloeden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW