C-276/20 B

Contentverzamelaar

C-276/20 B

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     19 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     5 oktober 2020

Trefwoorden : bevoegdheid; onafhankelijkheid; onpartijdigheid; dieselschandaal

Onderwerp : Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

 

Feiten:

Het gaat hier om één van de vele zaken in het kader van het “dieselschandaal”, waarbij in heel Europa schadevergoeding wordt gevorderd van fabrikanten van voertuigen of motoren met een verboden manipulatie-instrument. Verzoekster kocht op 02-06-2012 een nieuw voertuig bij een autodealer. Het voertuig beschikt over een van verweerster afkomstige dieselmotor met besturingssoftware die de stikstofuitstoot op de testbank vermindert ten opzichte van de stikstofuitstoot onder normale rijomstandigheden. Op 20-07-2012 vonden de overdracht van het voertuig aan verzoekster en de eerste registratie ervan plaats nadat de koopprijs van €21.000,- bruto was betaald. In het kader van een terugroepactie liet verzoekster op 25-06-2018 een update van de software uitvoeren. In september 2018 heeft verzoekster beroep ingesteld, waarbij zij verzocht om betaling van €21.000,- namelijk de volledige koopprijs, en rente reeds vanaf 20-07-2012, in ruil voor teruggave van het voertuig.

 

Overweging:

Het precieze bedrag van de schadevergoeding is een twistpunt dat nog niet definitief is geregeld. Dienaangaande rijzen twee vragen, namelijk i) of en in hoeverre het werkelijke gebruik door de koper van het voertuig in aanmerking moet worden genomen ter vermindering van de schade en ii) of en in hoeverre rente verschuldigd is het schadebedrag. Het Bundesgerichtshof wil het reeds gemaakte werkelijke gebruik in mindering brengen op de schade. De verwijzende rechter heeft voor de beslechting van het geding relevante twijfels omtrent de vraag of een dergelijke aftrek verenigbaar is met het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht en met het gebod de toepassing van de grondrechten en beginselen van het Handvest te bevorderen. Voorts heeft de verwijzende rechter twijfels over diens institutionele onafhankelijkheid en verwijzingsbevoegdheid. De rechterlijke organisatie en de rechtspraak in Thüringen stroken niet met de criteria van het constitutioneel recht van de Unie en van het Hof voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (C-585/18; C-619/18; en C-216/18). Dit komt mede doordat de organisatie en het bestuur van de rechterlijke instanties in handen zijn van de uitvoerende macht. Daarnaast zijn er talrijke formele en informele overlappingen en personele verstrengelingen tussen de rechterlijke en uitvoerende macht. De verwijzende rechter is bijvoorbeeld al drie keer gedetacheerd, waarbij het inruilen van status van rechter voor die van ambtenaar niet ongebruikelijk is. Dit biedt de uitvoerende macht de mogelijkheid om op ongeoorloofde wijze invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht. Daaronder valt ook indirecte, subtiele en psychologische beïnvloeding. In dit verband rijst het procesrechtelijke probleem, of en onder welke voorwaarden überhaupt sprake is van een verwijzingsbevoegdheid voor de verwijzende rechter.

 

Prejudiciële vragen:

1. Schrijft het Unierecht, met name het doeltreffendheidsbeginsel en de Europese grondrechten, voor dat in geval van overtreding door de voertuig- of motorfabrikant van de Europese wetgeving inzake de registratie van voertuigen en de Europese emissienormen, het werkelijke gebruik van het voertuig niet in mindering mag worden gebracht op de schade van de koper? Geldt een dergelijk verbod op aftrek van het werkelijke gebruik althans voor het geval dat een fabrikant de klant opzettelijk en wederrechtelijk schade berokkent?

2. Is de verwijzende rechter een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 267 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 1, derde volzin, VEU en artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-32/12; C-617/10; C-414/16; C-404/06; Land Hessen C-272/19; Minister for Justice and Equality C-216/18 PPU; Associação Sindical dos Juízes Portugueses C-64/16; C-503/15; Commissie / Duitsland C-518/07; OG C-508/18; A.K. C-585/18; Commissie / Polen C-619/18; TDC C-222/13; C-558/18;

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK; IenW; EZK