C-277/21 SeGEC e.a.   

Contentverzamelaar

C-277/21 SeGEC e.a.   

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     22 augustus 2021

Trefwoorden : onderwijsactiviteiten; begrotingsbeleid

Onderwerp :

Verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (hierna: verordening);

Feiten:

Een van de juridische instrumenten van de EU voor het toezicht op het begrotingsbeleid van de lidstaten is het ESR (Europees systeem van nationale en regionale rekeningen). Bijlage A bij de verordening onderscheidt vijf elkaar uitsluitende binnenlandse institutionele sectoren die tezamen de totale binnenlandse economie vormen, waaronder de sector overheid. Naast het officieel onderwijs, bestaat er in België een “gesubsidieerd vrij” onderwijs dat door privaatrechtelijke rechtspersonen wordt georganiseerd maar grotendeels door de overheid wordt gefinancierd. Op dit gebied wordt onder “inrichtende macht” verstaan de “publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de school”. De vijf verzoekende partijen zijn de inrichtende machten van gesubsidieerde vrije confessionele onderwijsinstellingen en psycho-medisch-sociale centra. Verzoekende partijen vorderden de nietigverklaring van een besluit waarbij eerste verzoekster werd ingedeeld in de sector overheid. Aangezien dit besluit werd ingetrokken, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Op 28-03-2018 heeft de verwerende partij een nieuw besluit (hierna: bestreden besluit) vastgesteld waarbij de inrichtende machten in de sector overheid werden ingedeeld. De indeling in de sector overheid houdt voor de betrokken instellingen de verplichting in om bepaalde informatie en gegevens aan het Instituut voor nationale rekeningen te verstrekken, een bijzondere boekhouding te voeren en een beperking van hun bevoegdheid om schulden aan te gaan en bijgevolg van hun mogelijkheid tot het doen van investeringen. Het enige middel is gericht tegen de indeling door verweerder van de “inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs” in de subsector “deelstaatoverheid” in de zin van het ESR 2010 (huidig ESR).

Overweging:

Hoewel niet wordt betwist dat de inrichtende machten die de rechtsvorm van vereniging zonder winstoogmerk hebben aangenomen, als instellingen zonder winstoogmerk in de zin van het ESR kunnen worden beschouwd, verschillen partijen van mening over de vraag of deze instellingen “onder de zeggenschap van de overheid staan”. De analyse van de verwerende partij is hoofdzakelijk gebaseerd op de verschillende voorwaarden die de inrichtende machten in het vrij onderwijs moeten aanvaarden om voor subsidies in aanmerking te komen. Deze overwegingen hebben in wezen betrekking op het in punt 20.309, onder h), van het ESR vermelde criterium betreffende de “zeggenschap door buitensporige regelgeving”, dat van toepassing is wanneer de “regelingeving zo strikt is dat deze feitelijk het algemene beleid van de onderneming dicteert”. De verschillende door de verwerende partij aangevoerde elementen wijzen erop dat de activiteit van verzoekende partijen in vergaande mate aan regelgeving is onderworpen, maar aangezien in de rechtspraak van het Hof geen aanwijzingen over de kwalificatie van buitensporige regelgeving te vinden zijn, kan deze regeling moeilijk als „buitensporig” in de zin van punt 20.309, onder h), van het ESR worden aangemerkt. De verwijzende rechter gaat over op het stellen van de prejudiciële vragen teneinde verduidelijking te krijgen over de punten 20.309h) en 20.15 van bijlage A.

Prejudiciële vragen:

1. Moet punt 20.309, onder h), van bijlage A bij verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een regeling waarbij een overheid die bevoegd is op het gebied van onderwijsactiviteiten:

–          de studieprogramma’s goedkeurt;

–          regels vaststelt voor de structuur van de studies alsmede voor de prioritaire en bijzondere opdrachten, voorziet in een controle van de inschrijving- en uitsluitingsvoorwaarden, van de besluiten van de klassenraden en van de financiële bijdrage, de hergroeperingen van de schoolinrichtingen binnen de gestructureerde netten regelt en vereist dat opvoedkundige, pedagogische en inrichtingsprojecten worden ontwikkeld;

–          controles en inspecties uitvoert die in het bijzonder betrekking hebben op de onderwezen vakken, het onderwijspeil en de van toepassing zijnde taalwetten, met uitzondering van de opvoedkundige methoden, n

–          per klas, afdeling, niveau of andere onderverdelingen, behoudens ministeriële vrijstelling, een minimumaantal leerlingen oplegt, als „buitensporig” in de zin van deze bepaling worden aangemerkt, en wel dermate dat deze regeling het algemene beleid of programma van de instellingen die de betrokken activiteiten uitoefenen, feitelijk dicteert of bindt?

2. Moet punt 20.15 van bijlage A bij dezelfde verordening aldus worden uitgelegd dat onder het begrip ‚algemene regeling’ ook specifieke regels vallen die een ‚statuut’ vormen dat van toepassing is op de personeelsleden van instellingen zonder winstoogmerk die in het onderwijs actief zijn en wier bezoldiging wordt gefinancierd door de overheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-612/17 en C-613/17;

Specifiek beleidsterrein: FIN; OCW