C-278/22 ANTERA

Contentverzamelaar

C-278/22 ANTERA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    10 augustus 2022

Trefwoorden: operationele leasing, financiële diensten, motorvoertuigen, interne markt

Onderwerp: Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt

Feiten:

Verzoekster ANTERA d.o.o., Zagreb, heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tot beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van het Kroatisch agentschap voor toezicht op financiële diensten (HANFA). Het bestreden besluit verbiedt verzoekster leasetransacties te verrichten zonder daartoe over de vereiste vergunning te beschikken. Verzoekster diende binnen 8 dagen na ontvangst van dit besluit aan verweerder het bewijs te leveren dat zij bij het gerechtelijke register een verzoek om schrapping van de activiteiten „leasing van motorvoertuigen”, „verhuur en leasing van personenauto’s en vrachtwagens (met of zonder bestuurder)” en „verhuur en leasing van fietsen, scooters enzovoort” had ingediend. In de loop van een door verweerder verrichte buitengewone controle is vastgesteld dat verzoekster drie langlopende verhuurovereenkomsten (betreffende vier auto’s) heeft gesloten en dat zij op uitdrukkelijk verzoek van de klant de auto’s vervolgens heeft verworven door deze te kopen van de leverancier, zodat

zij er de eigenaar van is geworden en de auto’s voor gebruik ter beschikking van klanten kon stellen. Verweerder komt op basis van de uiteengezette feiten tot de conclusie dat een dergelijk bedrijfsmodel in wezen een vorm van leasing is, zodat de vennootschap in feite leaseactiviteiten heeft verricht zonder daartoe over een geldige vergunning te beschikken. Anders dan wordt beweerd door verweerder, is verzoekster van mening dat de beschreven handelwijze van verweerder een schending van haar door het acquis gewaarborgde rechten inhoudt. Verzoekster is van mening dat Kroatië de rechtsfiguur van operationele leasingdiensten in het geheel niet met financiële diensten kon gelijkstellen en evenmin gerechtigd was om de verrichting van dergelijke leasingdiensten alsmede haar autoverhuurdiensten vervolgens te onderwerpen aan het toezicht van verweerder (HANFA).

Overweging:

Aangezien uit richtlijn 2013/36/EU volgt dat alleen financiële leasing tot het gebied van de financiële diensten behoort, moet – a contrario – worden aangenomen dat op operationele leasing de bepalingen van richtlijn 2006/123/EG moeten worden toegepast. Uit artikel 2 en overweging 33 van richtlijn 2006/123/EG volgt duidelijk dat deze richtlijn geen betrekking heeft op financiële leasing maar op een breed scala van diensten die de uiteenlopendste activiteiten omvatten, waaronder autoverhuur, die als een vorm van operationele leasing kan worden beschouwd. De rechter merkt op dat uit de bepalingen van nationaal recht volgt dat Kroatië operationele leasingdiensten heeft gelijkgesteld met financiële diensten, hoewel het Unierecht niet bepaalt dat dergelijke diensten financiële diensten zijn. De rechter herinnert eraan dat volgens vaste rechtspraak van het Hof sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU wanneer een nationale maatregel, ook indien hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit wordt toegepast, de uitoefening door een onderdaan van een lidstaat van deze door de oprichtingsverdragen gewaarborgde fundamentele vrijheid kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken. In deze specifieke zaak kan de nationale bepaling verzoekster en personen uit andere lidstaten die zich in Kroatië willen vestigen, beletten of ontmoedigen om activiteiten op het gebied van verhuur of operationele leasing te verrichten. In het licht van het voorgaande zijn bij de Upravni sud twijfels gerezen over de uitlegging van het Unierecht met betrekking tot de vraag of de bepalingen die voorzien in toezicht op operationele leasingdiensten door de HANFA de markt in Kroatië minder aantrekkelijk maken wat betreft de uitoefening van de door het oprichtingsverdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging.

Prejudiciële vragen:

1. Vallen operationele leasing en/of langdurige autoverhuur binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/123/EG (dienstenrichtlijn), zoals aangegeven in het Handboek voor de implementatie van de dienstenrichtlijn van 13 maart 2008, dat is uitgegeven door het directoraat-generaal Interne markt en Diensten? Moet een entiteit die zich bezighoudt met operationele leasing (maar niet met financiële leasing) en/of langdurige autoverhuur als een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26, van verordening (EU) nr. 575/2013 worden beschouwd?

2. Indien de eerste van deze vragen bevestigend en de tweede ontkennend wordt beantwoord: is de machtiging van de Hrvatska agencija za nadzor financijskih usluga (HANFA) om toezicht te houden op de verrichting van diensten op het gebied van operationele leasing en/of langdurige autoverhuur krachtens artikel 6, lid 1, Zakon o leasingu en om aanvullende eisen en beperkingen op te leggen aan ondernemingen die dergelijke activiteiten verrichten, verenigbaar met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gelezen in samenhang met de artikelen 9 tot en met 13 van richtlijn 2006/123/EG?

3. Moeten artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 9 tot en met 13 van richtlijn 2006/123/EG in omstandigheden als die van het onderhavige geding, waarin een in een lidstaat gevestigde moedermaatschappij voornemens is om via een dochteronderneming in een andere lidstaat diensten van dezelfde aard te verrichten als zij in de oorspronkelijke lidstaat verricht, aldus worden uitgelegd dat zij toestaan dat een nationale wet (de wet inzake leasing) aan de dochteronderneming aanvullende eisen en beperkingen oplegt en daardoor de uitoefening van de betrokken activiteit belemmert of minder aantrekkelijk maakt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK