C-282/22 Dyrektor Krajowej lnformacji Skarbowej

Contentverzamelaar

C-282/22 Dyrektor Krajowej lnformacji Skarbowej

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2022

Trefwoorden: btw-richtlijn, levering van goederen, diensten, elektrische voertuigen

Onderwerp: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn)

Feiten:

De te W. gevestigde vennootschap P. (verzoekster) heeft de directeur van de nationale belastinginformatiedienst, Polen (Dyrektor) in het kader van vooroverleg verzocht om een voorafgaande beslissing betreffende de belasting over de toegevoegde waarde. In haar verzoek om een beslissing heeft verzoekster aangegeven dat zij voornemens is om een activiteit op het gebied van zogenoemde algemeen toegankelijke laadstations voor elektrische voertuigen op te starten. In het kader van deze activiteit zal de vennootschap mogelijk laadstations installeren en deze tegen vergoeding beschikbaar stellen. Gebruikers van elektrische voertuigen zullen er hun voertuig kunnen opladen bij stations met verschillende laadstandaarden en -snelheden. Volgens de vennootschap moeten alle door haar verrichte prestaties ten behoeve van de gebruikers van de laadstations voor voertuigen worden geacht een enkele

belastbare werkzaamheid te vormen, namelijk een onder bezwarende titel verrichte dienst als bedoeld in artikel 8, lid 1, u.p.t.u. In de bestreden uitlegging heeft de Dyrektor vastgesteld dat het standpunt van verzoekster onjuist is.

Overweging:

Volgens de rechtspraak van het Hof moet elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, maar mag de handeling die economisch gezien uit een prestatie bestaat niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald, omdat anders de goede werking van het btw-stelsel zou worden aangetast. De eerste drie bestanddelen van de prestatie van de vennootschap zijn onontbeerlijk voor het opladen van het voertuig, daar zij nauw met elkaar verbonden zijn. Bijgevolg moeten het leveren van elektrische energie en het beschikbaar stellen van laadapparatuur, inclusief de noodzakelijke technische ondersteuning, in de omstandigheden van het onderhavige geval voor btw-doeleinden als een enkele handeling worden beschouwd. De werkzaamheden waaruit het vierde onderdeel bestaat (een gespecialiseerd platform, een gespecialiseerde website of een gespecialiseerde applicatie beschikbaar stellen voor het reserveren van een bepaalde connector, het raadplegen van het overzicht van eerdere transacties en betalingen, en de gebruikmaking van een zogenoemde e-wallet) houden geen nauw verband meer met het opladen van een voertuig, hoewel zij bij de verrichting van deze handeling, als nevenactiviteiten, ongetwijfeld een grote vergemakkelijking voor de klanten kunnen vormen. Om uit te maken of voornoemde samengestelde handeling als levering van goederen dan wel als dienst moet worden gekwalificeerd, moeten de overheersende bestanddelen ervan worden bepaald. De vraag die moet worden beantwoord is wat voor de gemiddelde consument het overheersende bestanddeel van de litigieuze handeling is. Gelet op het belang van de litigieuze kwestie, niet alleen voor de nationale exploitanten van laadstations maar ook voor de Uniemarkt in haar totaliteit (onder meer wat betreft de vaststelling van de plaats van verrichting van deze handelingen), is de verwijzende rechter van oordeel dat het van belang is om te weten te komen hoe de litigieuze prestatie moet worden gekwalificeerd in het licht van de btw-richtlijn, namelijk als levering van goederen in de zin van artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn dan wel als dienst in de zin van artikel 24, lid 1, van deze richtlijn.

Prejudiciële vraag:

Vormen de samengestelde prestaties die bij oplaadpunten ten behoeve van gebruikers van elektrische voertuigen worden verricht en die bestaan in:

a) het beschikbaar stellen van laadapparatuur (met inbegrip van het integreren van de gebruikte oplader met het besturingssysteem van het betreffende voertuig),

b) het zorgen voor toevoer van elektrische energie met de vereiste parameters voor de accu’s van elektrische voertuigen;

c) het bieden van de noodzakelijke technische ondersteuning voor de voertuiggebruikers,

d) het aan de gebruikers beschikbaar stellen van een gespecialiseerd platform, een gespecialiseerde website of een gespecialiseerde applicatie voor het reserveren van een bepaalde connector, het raadplegen van het overzicht van eerdere transacties en betalingen, en de gebruikmaking van een zogenoemde e-wallet om de voor de verschillende laadsessies verschuldigde bedragen te voldoen

- leveringen van goederen in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde [...] of diensten in de zin van artikel 24, lid 1, van deze richtlijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Levob Verzekeringen en OV Bank (C-41/04), CPP (C-349/96), Faaborg-Gelting Linien (C-231/94)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal