C-286/22 KBC Verzekeringen

Contentverzamelaar

C-286/22 KBC Verzekeringen

Prejudiciële hofzaak C-286/22 KBC Verzekeringen

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    15 augustus 2022

Trefwoorden: aansprakelijkheidsverzekering, motorijtuigen, elektrische fiets

Onderwerp:

Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

Feiten:

op 14-10-2017 vond omstreeks 00.20 uur een verkeersongeval plaats op de Bruggesteenweg te Damme waarbij BV met zijn elektrische fiets (‘speed pedelec’) werd gegrepen door een voertuig VW Golf, verzekerd bij de verweerster. Ingevolge het ongeval werd BV zwaargewond en hij overleed uiteindelijk op 11-04-2018. De verweerster, arbeidsongevallenverzekeraar van de werkgever van BV, betaalde vergoedingen uit en werd hierdoor gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer en zijn rechthebbenden. De eiseres is de WAM-verzekeraar van de VW Golf. De verweerster dagvaardde de eiseres voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, teneinde terugbetaling van haar uitgaven te verkrijgen op grond van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek of artikel 29bis WAM. Zij voerde aan dat BV niet als een bestuurder van een motorrijtuig kon worden aangezien. De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, besliste bij vonnis van 24-10-2019 dat de bestuurder van de VW Golf, verzekerde van de eiseres, niet voor het ongeval aansprakelijk is, doch de eiseres gehouden is tot vergoeding van het slachtoffer en de in zijn rechten gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar op grond van artikel 29bis WAM. Het slachtoffer was immers geen bestuurder van een motorrijtuig en derhalve vergoedingsgerechtigd in de zin van dit artikel 29bis.

Overweging:

De eiseres voert aan dat het, om uit te maken of een elektrische fiets al dan niet een motorrijtuig is in de zin van artikel 1 WAM, zonder belang is of deze al dan niet autonoom kan voortbewegen. Een fiets is volgens de eiseres een motorrijtuig zodra hij door een mechanische kracht hetzij autonoom, hetzij in combinatie met spierkracht, kan worden gedreven. De aldus opgeworpen betwisting kan slechts worden opgelost door de uitleg van het begrip “voertuig” uit artikel 1.1 Richtlijn 2009/103/EG, waarvoor het Hof uitsluitend bevoegd is.

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 1.1 van Richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Richtlijn 2021/2118 van 24 november 2021 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van voormelde richtlijn, waarin “voertuigen” worden gedefinieerd als “alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers”, aldus te worden begrepen dat een elektrische fiets (‘speed pedelec’) waarvan de motor slechts trapondersteuning biedt zodat de fiets niet autonoom, zonder spierkracht, kan voortbewegen, doch enkel door gebruik van motorkracht en spierkracht en een elektrische fiets die voorzien is van een boostfunctie, waardoor de fiets bij het indrukken van de boostknop, zonder trappen versnelt tot een snelheid van 20 km/u, doch waarbij spierkracht nodig is om de boostfunctie te kunnen gebruiken, geen voertuigen zijn zoals bedoeld in deze richtlijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV