C-289/20 IB

Contentverzamelaar

C-289/20 IB

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     4 oktober 2020

Trefwoorden : rechterlijke bevoegdheid; huwelijkszaken

Onderwerp : Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000;

 

Feiten:

Mevrouw FA (Ierse nationaliteit) en de heer IB (Franse nationaliteit) zijn op 27-08-1994 getrouwd in Ierland. Zij hebben samen drie ‒ inmiddels meerderjarige ‒ kinderen gekregen. IB had feitelijk twee verblijfplaatsen: terwijl hij doordeweeks in Parijs verbleef voor zijn werk, bracht hij de rest van zijn tijd bij zijn echtgenote en kinderen in Ierland door. IB heeft op 28-12-2018 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de familierechter te Parijs. Bij beschikking van 11-07-2019 heeft de familierechter de Franse rechter onbevoegd verklaard om over de echtscheiding van de echtgenoten te beslissen. IB heeft daarop hoger beroep ingesteld en o.a. verzocht om de beschikking van de familierechter te vernietigen voor zover de Franse rechter daarin onbevoegd is verklaard. FA heeft daarentegen verzocht om bekrachtiging van deze beschikking van de familierechter. Subsidiair heeft FA verzocht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van het begrip gewone verblijfplaats van de echtgenoot in de zin van verordening 2201/2003.

 

Overweging:

Het beginsel dat een en dezelfde bevoegdheidsgrond aanwezig kan zijn in twee lidstaten, is door het Hof geformuleerd in zijn arrest in C-168/08. In die zaak diende het Hof echter de toepassing te beoordelen van een ander criterium, namelijk de nationaliteit. In de onderhavige zaak is het begrip gewone verblijfplaats aan de orde, waarvan de definitie zelf een uitlegging veronderstelt waarvoor het Hof bij uitsluiting bevoegd is, aangezien het gaat om de toepassing van een Europese regeling. Daarom moet aan het Hof de vraag worden voorgelegd of een echtgenoot zijn gewone verblijfplaats kan hebben in twee lidstaten. Het vervolg van de echtscheidingsprocedure, waarin er mogelijk sprake is van concurrerende bevoegdheden van twee lidstaten, hangt af van het antwoord op deze vraag.

 

Prejudiciële vraag:

Wanneer, zoals in casu, uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat een van de echtgenoten zijn leven verdeelt tussen twee lidstaten, kan dan voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 worden aangenomen dat die echtgenoot zijn gewone verblijfplaats in de zin van dit artikel in twee lidstaten heeft, zodat wanneer aan de in dit artikel geformuleerde voorwaarden is voldaan in twee lidstaten, de gerechten van die twee staten gelijkelijk bevoegd zijn om over de echtscheiding te beslissen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/08;

Specifiek beleidsterrein: JenV