C-296/21 A 

Contentverzamelaar

C-296/21 A 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     13 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     29 augustus 2021

Trefwoorden: vuurwapens; vergunningen; controlerende entiteit

Onderwerp:

-           Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 (vuurwapenrichtlijn); 

-           Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn;

Feiten:

Verzoeker (A) heeft onbruikbaar gemaakte vuurwapens van Oostenrijk naar Finland overgebracht. A heeft aan de Finse autoriteiten een certificaat van onbruikbaarmaking overgelegd dat in Oostenrijk is afgegeven en waarin wordt verwezen naar de vuurwapenrichtlijn en verordening 2015/2403. De Finse politie heeft het certificaat niet erkend en de onbruikbaarmaking opnieuw gecontroleerd, omdat de verstrekker van het certificaat geen autoriteit was zoals door de wettelijke norm wordt vereist en evenmin voorkwam op de in verordening 2015/2403 genoemde lijst van de Commissie. A heeft een verklaring van de Oostenrijkse autoriteiten over de verstrekker van het certificaat overgelegd. De politie was van mening dat de onbruikbaarmaking van de aanvalsgeweren op enkele punten niet voldeed aan de technische eisen als bedoeld in bijlage I bij verordening 2015/2403. De wapens moesten worden aangemerkt als vuurwapens waarvoor een vergunning vereist is en aangezien A niet beschikte over deze vergunning, moesten de wapens in beslag worden genomen. A heeft hierop beroep ingesteld bij de bestuursrechter. De bestuursrechter heeft het beroep afgewezen omdat in beginsel enkel een certificaat dat is afgegeven door een controlerende entiteit die op de lijst van de Commissie is geplaatst, als een certificaat van onbruikbaarmaking kan worden aangemerkt. Verzoeker heeft de verwijzende rechter gevraagd om een hogere voorziening toe te laten tegen de beslissing van de bestuursrechter en vorderde de vernietiging van het besluit van de politie en de beslissing van de bestuursrechter.

Overweging:

De verwijzende rechter moet in het geding antwoord geven op de vraag of het certificaat in overeenstemming was met artikel 3 van verordening 2015/2403 en of dit certificaat op grond van artikel 7(2) van die verordening in Finland erkend had moeten worden. De Oostenrijkse en de Finse autoriteiten hebben de Unierechtelijke bepalingen, wat de juridische betekenis van de lijst van de Commissie betreft, op verschillende wijze beoordeeld. Oostenrijk heeft vennootschap B aangewezen als controlerende entiteit als bedoeld in artikel 3(1) van verordening 2015/2403. De Finse politie heeft daarentegen vastgesteld dat de controlerende entiteit die in Oostenrijk het certificaat van onbruikbaarmaking heeft afgegeven, niet werd genoemd in de lijst als bedoeld in artikel 3(3) van die verordening.

Prejudiciële vragen:

1) In geval van overbrenging van onbruikbaar gemaakte vuurwapens binnen de Unie en gelet op de voorschriften van richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008, alsmede de bepalingen van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn, met name artikel 3, lid 1, van deze verordening:

a) kan een door een nationale autoriteit bevestigde controlerende entiteit die een certificaat van onbruikbaarmaking heeft afgegeven, ook dan als entiteit in de zin van de vuurwapenrichtlijn en de artikelen 3 en 7 van verordening 2015/2403 worden beschouwd, hoewel zij niet voorkomt op de lijst die de Commissie heeft gepubliceerd overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze verordening, wanneer verschillende autoriteiten van de betrokken lidstaat aan de overbrenger van de wapens hebben meegedeeld dat die controlerende entiteit, die de rechtsvorm van een GmbH heeft en die het certificaat heeft afgegeven, daartoe gemachtigd is volgens die verordening, en

b) kan, in plaats van via een vermelding in de op de website van de Commissie gepubliceerde lijst als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de verordening, ook aan de hand van een ander, van een nationale autoriteit verkregen bewijs worden aangetoond dat een controlerende entiteit door een lidstaat gemachtigd is om wapens onbruikbaar te maken, zodat een door deze controlerende entiteit afgegeven certificaat van onbruikbaarmaking aldus aan de eisen van de verordening voldoet en een lidstaat het in een andere lidstaat afgegeven certificaat van onbruikbaarmaking moet erkennen volgens artikel 7, lid 2, van de verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV;