C-301/20 Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank

Contentverzamelaar

C-301/20 Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     11 oktober 2020

Trefwoorden : erfrecht

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de  bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: erfrechtverordening);

-           Uitvoeringsverordening (EU) 1329/2014 van de Europese Commissie van 9 december 2014 (hierna: uitvoeringsverordening);

 

Feiten:

Voorwerp van het hoofdgeding is het verzoek om vrijgave van de in gerechtelijke bewaring gegeven vermogensbestanddelen. De bewaargever, een bank, had verzocht om de vermogensbestanddelen in gerechtelijke bewaring te geven, omdat er geen zekerheid was verkregen over de rechthebbenden. In hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van hun vader vorderen verzoekers HC en UE gezamenlijk de vrijgave van de in gerechtelijke bewaring gegeven vermogensbestanddelen. Ter staving van het feit dat zij ieder voor de helft erfgenaam zijn, hebben zij een gewaarmerkt afschrift overgelegd van een Europese erfrechtverklaring. Deze erfrechtverklaring is afgegeven op aanvraag van HC en in de rubriek “Het is geldig tot en met” staat vermeld “voor onbepaalde tijd”. De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek om vrijgave afgewezen. De appelrechter heeft het hoger beroep van verzoekers verworpen omdat i) alleen de partij die om afgifte van de erfrechtverklaring heeft verzocht, haar recht kan bewijzen, ii) de onbepaalde geldigheidsduur in strijd is met artikel 70(3) van de erfrechtverordening, en iii) het afschrift van de erfrechtverklaring tevens geldig dient te zijn op het tijdstip waarop de rechter in eerste aanleg op dat verzoek beslist.

 

Overweging:

De litigieuze vrijgave van de in gerechtelijke bewaring gegeven vermogensbestanddelen kan naar Oostenrijks recht (onherroepelijke beslissing over de aanvaarding van de bewaargeving) alleen worden toegestaan op gezamenlijk en schriftelijk verzoek van beide tegenpartijen in de procedure van gerechtelijke bewaargeving. Voor de beslechting van het hoofdgeding is het van wezenlijk belang om uit te maken of het in deze procedure overgelegde afschrift van een Europese erfrechtverklaring op zichzelf volstaat voor het bewijs van de legitimatie als erfgenamen in de procedure van gerechtelijke bewaargeving. De verwijzende rechter besluit om de behandeling van het beroep in Revision te schorsen en aan het Hof vragen over het Unierecht voor te leggen die voor de beslechting van het hoofdgeding van wezenlijk belang zijn.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 70, lid 3, van verordening (EU) nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de  bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: „erfrechtverordening”) aldus worden uitgelegd dat een afschrift van de erfrechtverklaring dat is afgegeven in strijd met die bepaling, dat wil zeggen voor onbepaalde tijd en zonder vermelding van een einddatum,

a.         voor onbepaalde tijd geldig is en rechtsgevolgen sorteert, dan wel

b.         slechts geldig is gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het  gewaarmerkte afschrift, dan wel

c.         slechts geldig is gedurende zes maanden, te rekenen vanaf een andere datum, dan wel

d.         ongeldig is en niet geschikt is om te worden gebruikt in de zin van artikel 63 van de erfrechtverordening?

2. Moet artikel 65, lid 1, juncto artikel 69, lid 3, van de erfrechtverordening aldus worden uitgelegd dat de erfrechtverklaring rechtsgevolgen heeft voor iedere persoon die in de erfrechtverklaring met naam wordt vermeld als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap, zodat ook personen die niet zelf om de afgifte van de erfrechtverklaring hebben verzocht, ervan kunnen gebruikmaken overeenkomstig artikel 63 van de erfrechtverordening?

3. Moet artikel 69 juncto artikel 70, lid 3, van de erfrechtverordening aldus worden uitgelegd dat de legitimerende werking van het gewaarmerkte afschrift van een erfrechtverklaring moet worden erkend wanneer het bij de eerste overlegging ervan nog geldig was, maar de geldigheidsduur ervan is verstreken voordat de bevoegde autoriteit het aangevraagde besluit vaststelt, of verzet deze bepaling zich niet tegen een voorschrift van nationaal recht op grond waarvan de verklaring ook op het tijdstip van dat besluit geldig moet zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV